De denkende architect
Denken is het belangrijkste gereedschap van de architect. Niet enkel door te schetsen, te tekenen, maquettes te maken of te vergaderen komt hij tot een ontwerp, maar in de allereerste plaats door na te denken.
Om na te kunnen denken over de opgave is kennis nodig, kennis van de context van die specifieke opgave. Het begrip context moet hier in de ruimste zin opgevat worden als alles wat zichtbaar en onzichtbaar van invloed kan zijn op het ontwerp. Het omvat niet alleen de fysieke presentie van de plaats waar het ontwerp dient te komen -stedenbouwkundige positie, landschappelijke omgeving-, maar ook de niet direct zichtbare invloeden, zoals de ondergrondse gelaagdheid en de wordingsgeschiedenis van de directe en de ruimere omgeving. Op abstract niveau zijn ook de planologische randvoorwaarden, bestuurlijke condities, culturele bewegingen en algemene maatschappelijke opvattingen van belang. En, niet onbelangrijk, ook de opdracht zelf hoort bij de context. Daarbij is niet alleen het programma van eisen interessant, maar is het minstens zo belangrijk wat de opdrachtgever nu precies wil bereiken met zijn gebouw en wat bijvoorbeeld zijn achterliggende verlangens en motieven zijn.
De denkende architect vergaart deze kennis door onderzoek te doen. Dit onderzoeken is niet een plichtmatig vergaren van feiten of het verzamelen van informatie om het ontwerpproces mee te sturen maar een zoeken vanuit een drang om te willen begrijpen en te kunnen duiden. Bij dit zoeken volgt hij zijn eigen inzichten en werkt derhalve niet volgens een vast stramien. Ook neemt hij niets voetstoots aan, maar zal hij zelfstandig waarnemen en zijn conclusies trekken. Het onderzoek is niet wetenschappelijk van aard omdat het methodisch niet onderbouwd is en geen volledigheid nastreeft. Het ontwerpen staat bij het zoeken van de architect centraal en anders dan in de wetenschap is het onderzoek niet louter beschrijvend maar juist stellingnemend.
Aan de hand van onderzoek vormt de architect zich dus een mening over de context. Het is vanuit deze -veelal kritische- houding dat ontwerpvoorstellen gedacht kunnen worden. Door steeds een ander aspect of thema centraal te stellen en tot leidraad te maken voor een scherp voorstel ontstaat een reeks van concepten die tezamen een breed spectrum aan oplossingen bieden; van bescheiden tot megalomaan, van eenvoudig tot complex, van oplossend tot problematiserend. De architect denkt, dus niets is vanzelfsprekend en hij kan moeiteloos schakelen tussen verschillende opvattingen, zelfs tegen zijn eigen voorkeur in. De helderheid van de in het concept gevatte houding en niet de affiniteit met het voorstel telt voor hem.
Van ieder voorstel overdenkt de architect de gevolgen als ware het reeds uitgevoerd. Hij beschouwt de implicaties voor de omgeving, de kwaliteiten voor het gebouw en de mogelijkheden voor de opdrachtgever. Bij deze reflectie hoort ook het benoemen van de eigen houding; is het een dienstbare en bescheiden opvatting die tot dit voorstel heeft geleid of juist een megalomane wil tot zelfexpressie. Door te denken overziet de architect zijn eigen werk. Hij kan nu de argumenten wegen die tot een keuze uit de reeks van voorstellen zal leiden. Afhankelijk van de context kan hij kiezen voor het meest expressieve voorstel of juist voor het bescheiden en gevoelige ontwerp, voor het functionele plan of voor poëzie en schoonheid, voor culturele impact of sociale betrokkenheid. Of hij legt het gehele resultaat van zijn onderzoekend ontwerp-proces voor aan de opdrachtgever waarmee hij hem in de discussie nieuwe wensen en uitspraken kan ontlokken.
Als in geen ander beroep wordt de architect heen en weer geslingerd tussen economische belangen en cultureel besef. De denkende architect probeert in dit spanningsveld met zijn onafhankelijke geest zowel diepgang als overzicht te bereiken en op deze wijze op een lucide wijze architectuur te bedenken.
Het onderzoekend ontwerpen
In het atelier context hebben de studenten vanuit deze opvatting over architectuur gewerkt. Het ging daarbij om de cyclus van onderzoek, meningvorming, conceptontwikkeling en reflectie. Deze methode veronderstelt een houding die de opgave met een kritische distantie tegemoet treedt. Nu heeft iedere ontwerper vaak al direct en intuïtief een voorstelling van wat het project moet worden. Om het ontwikkelen van scherpe voorstellen niet te laten belemmeren door al te persoonlijke voorkeuren was de eerste opdracht het noteren van dit eerste idee.
De studenten hebben in wisselende volgorde de historische, landschappelijke, fysieke en programmatische context van de Fraeylemaborg onderzocht. Het onderzoek is samengevat in een tijdlijn waarin de ruimtelijke ontwikkeling van de Fraeylemaborg gerelateerd is aan de verschillende contextuele thema's. De 10 meter lange poster biedt een uniek overzicht van de genealogie van de Fraeylemaborg. De belangrijkste conclusie is dat ingrijpende wijzigingen, zoals uitbreidingen en sloop van delen van de borg, de aanleg van de barokke tuin en de transformatie naar een engelse landschapstuin, steeds zijn te koppelen aan een overdracht van het eigendom. De Fraeylemaborg heeft recent ook weer een verandering van beheer gekend en de vraag die zich nu aandient is wat de volgende stap in de ontwikkeling gaat worden.
Naar aanleiding van het onderzoek zijn vanuit persoonlijke benaderingen steeds verschillende conclusies getrokken. Theo Koops heeft de meest radicale conclusies vertaald in abstracte concepten zonder dit meteen te koppelen aan een ruimtelijke uitwerking. Hij stelde bijvoorbeeld voor om een aangenaam circuit te maken waar de bezoekers ongemerkt het geld uit de zak wordt geklopt door een aanhoudende merchandising of om de Fraeylemaborg te privatiseren en de collectie onder te brengen in een nieuwe binnenplaats, te realiseren in de stad. Daartegenover staat Bram Scheurwater die heel ambachtelijk en consistent aan verschillende precieze en gevoelige ruimtelijke ingrepen heeft gewerkt en aansluitingen zocht bij het landschap of het dorp Slochteren. De boekhouder versus de sociale architect.
Iso van der Meer heeft de historische orde van het ensemble Fraeylemaborg onderzocht. Zijn voorgestelde paviljoen speelt een dialectisch spel met de historische orde van het complex. De positie van het paviljoen voegt zich in de reeks bijgebouwen en maakt zich daardoor ondergeschikt aan het hoofdgebouw, maar in volume en programmatische lading is het paviljoen gelijkwaardig aan het hoofdgebouw. In het onderzoek heeft Sandra Grabs de moed gehad om ver buiten de grenzen van het gebied te treden en de relatie met de stad Groningen onder de loep te nemen. In het ontwikkelde voorstel wordt een recreatieve route over water vanaf Groningen via Meerstad naar de Fraeylemaborg verbonden aan de ontwikkeling van het centrum van Slochteren rond een verbrede haven. Het paviljoen staat op de plek van de brug en beëindigt daarmee de ontsluitingsas en maakt het pad in het Overbos tot zichtas. Hierdoor wordt een spiegelsymmetrie met de borg gerealiseerd. Beide voorstellen spelen een intrigerend spel met de gelijkwaardigheid van borg en paviljoen.
Na zes weken begon het maken van voorstellen op een herhaling van zetten te lijken. Tijd om het tempo op te voeren en de drie gemaakte voorstellen in twee weken aan te vullen tot acht stuks per student. Door de opgevoerde snelheid werden de voorstellen directer, scherper en vrijer. Waren de eerste voorstellen wat voorzichtig -bijna zonder uitzondering stonden de tentoonstellingspaviljoens ver weg van de borg verstopt in de tuin-, nu kwamen er steeds brutalere en autonomere voorstellen op tafel. Buddy de Kleine koppelde telkens een thematisch onderzoek zonder omweg aan een uiterst scherp ruimtelijk principe. Hij stelde het kleinste paviljoen voor; een eenvoudige vitrine langs de entreelaan, alsmede een mobiel paviljoen dat op rupsbanden over de as rijdt. Ook introduceerde hij een streepjescode om de sferen van de gehele 2,6 kilometer lange tuin te benoemen. Dat architecten niet vast hoeven te zitten binnen een bepaald stijlconcept heeft Miranda Hammers laten zien door steeds weer verschillende ruimtelijke concepten overtuigend te presenteren. De ene week stelde ze een deconstructivistisch paviljoen bij de boerderij in het Overbos voor, de volgende week kwam ze met een plan om de borg te slopen en te vervangen door een continu vloerveld, om weer een week later een blob te willen verstoppen onder de grond.
Tijdens de tussenschouw dienden de studenten te reflecteren op hun studie door het presenteren van het beste en slechtste voorstel van henzelf en het beste voorstel van een ander. Iedere student moest een voorstel kiezen op basis waarvan een visie voor de toekomst van de Fraeylemaborg moest worden ontwikkeld. Door de reeks ontwikkelde voorstellen ontstond bij de studenten overzicht over het scala aan oplossingen en de bijbehorende posities en argumentaties en waren ze in staat heldere keuzes te maken. Stefan Prins had een spectaculair voorstel om het paviljoen als een soort serpentine over de gehele lengte van het terrein leggen. Het moment van reflectie bij het bepalen van de inzet voor de visie gaf hem het inzicht en de argumenten om juist in te zetten op een veel bescheidener, maar relevantere ingreep voor het borgcomplex: een eenvoudige schuur die op een bescheiden manier ingepast is in het ensemble van bijgebouwen en die een duidelijker entree van de tuin genereert. Bij Jacob Bosma heeft het omgekeerde plaatsgevonden. Zijn keuze bij de tussenschouw viel op een ingetogen paviljoen aan de straat. Bij het doordenken van zijn visie bleek dat deze keuze in tegenspraak was met zijn stellingname dat de borg op zichzelf niet bijzonder is, maar zijn waarde ontleent aan de landschappelijke context. Om deze ervaarbaar te maken heeft Jacob voorgesteld om op de meest onbereikbare plek in het bos een toren te plaatsen die inzicht biedt in de landschappelijke positie van het borgcomplex en daarmee haar waarde bekrachtigt. De toren is dus niet gekozen omdat het een spectaculair voorstel is, maar omdat het een heldere keuze is op basis van argumenten vanuit de gekozen stellingname.
Dat een ontwikkelingsvisie verder gaat dan een ruimtelijk voorstel maakt Nelleke Karst duidelijk. Haar visie is gebaseerd op een krachtig idee over de programmatische positionering van de Fraeylemaborg in een sterk in beweging zijnde markt van musea en kunstpaviljoens. Door kunstenaars en studenten te binden aan de borg ontstaat een programmering die steeds weer verandert en in kan spelen op actualiteiten. Het concept van de stijlkamers in de borg wordt opgepoetst en verrijkt door nieuwe betekenissen te geven aan het begrip leefstijlen. De grote stroom van bezoekers wordt in belangrijke mate van de borg af en naar follies in de tuin geleid. Met de follies worden ook verborgen eigenschappen van de engelse landschapstuin voorzien van nieuwe betekenis.
De uitkomsten van het atelier zijn zowel kwalitatief als kwantitatief goed. Kwantitatief door de reeks van voorstellen die iedere student heeft ontwikkeld en door het brede en intensieve onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt. De kwaliteit van de voorstellen nam toe naarmate het onderzoek intensiever en breder werd. De voorstellen werden steeds doordachter en relevanter doordat verschillende aspecten een vanzelfsprekender plaats kregen in het proces. De uiteindelijke visie is door de studenten in korte tijd doorontwikkeld tot een realistisch en presentabel plan, bij sommigen zelfs tot het niveau van een voorlopig ontwerp. De tijdlijn, een samenvatting van het verrichte onderzoek, is een uniek document, zowel door de grote hoeveelheid informatie die op overzichtelijke wijze is bijeengebracht als wel door de samenwerking van alle studenten bij de realisatie ervan.
De veranderde context
Voor de Fraeylemaborg betekent de studie een enorme verruiming van het blikveld. De locatiekeuze voor een nieuw te bouwen expositiepaviljoen wordt van nu af aan niet meer gedicteerd door beperkingen maar juist verruimd tot een discussie over de mogelijkheden. In die discussie zal het niet moeten gaan over het beste voorstel maar over de overwegingen die tot de voorstellen hebben geleid en de betekenis daarvan voor de Fraeylemaborg als geheel. Net als de studenten is het bestuur van de Fraeylemaborg nu uitgedaagd om na te denken over een visie op de volgende 50 jaar van de tijdlijn en de volgende stap in de geschiedenis van de Fraeylemaborg, voorbij de horizon van het nieuwe paviljoen. In het gesprek hierover met alle betrokken partijen en instanties zullen de resultaten van dit atelier een belangrijke rol vervullen. De context voor een nieuw expositiepaviljoen voor de Fraeylemaborg is door de studenten niet alleen onderzocht en verwerkt, maar door hen ook verrijkt en uitgebreid met nieuwe invalshoeken, inzichten, houdingen en voorstellen. De context is daardoor wezenlijk veranderd.
Luc de Vries & Jan Hendrik Bos