Fraeylemaborg Fraeylemaborg Object

begeleiders: Geir Eide, Jan Age Albers
studenten: Andrike Dollen, Annemieke Meems, Ben van der Meer, Egbert Zwarts,  Erik Roerdink, Farzad Salehi, Freddie Siekmans, Gerwin de Vries, Ischkra Sillen


In het atelier Object werd van de studenten gevraagd het tentoonstellingspaviljoen van de Fraeylemaborg daadwerkelijk te ontwerpen. Hierbij moesten ze uitgaan van het aangeleverde programma van eisen en een al vastgestelde locatie en inspelen op de mogelijke wensen en eisen voor een gebouw met een dergelijke functie.


Parallel in plaats van serieel

 

Inleiding

Eigenlijk maakt het in het ontwerpproces niet uit waar je begint. Je kunt aan het eind beginnen, middenin of juist bij het begin. En het meest inspirerend werkt het als je op al deze drie punten tegelijkertijd begint. In tegenstelling tot wat veel studenten denken is de klassieke methode van groot naar klein niet de enige. De ‘traditionele’ methode gaat uit van werken van grof naar fijn: eerst komt de analyse van de omgeving, daaruit volgt een stedenbouwkundige opzet en een concept, vervolgens ontstaan plattegronden, gevolgd door doorsneden en gevels en tot slot moeten er ook nog een paar details gemaakt worden. Maar wat nu als je dit loslaat?

 

Een alternatieve benadering

Een andere benadering is die van wat we het ‘integraal ontwerpproces’ hebben genoemd. Hierbij gaat het er om dat het spel van het schakelen tussen de schaalniveau's meteen gestart wordt. Vanaf het begin wordt het project als één geheel bekeken. Voortdurend wordt de opgave vanuit wisselend perspectief benaderd en onderzocht: intuïtief, constructief, klimatologisch, programmatisch, situatief, conceptueel, theoretisch, analytisch etc. De bijbehorende verschillende schaalniveaus worden voortdurend parallel beschouwd en zullen elkaar gaan beïnvloeden. Vanaf het begin van de opdracht kan op vele vlakken inspiratie worden opgedaan. Een bepaald detail kan een project verder brengen of een landschappelijk element wordt bepalend, zoals bijvoorbeeld een eeuwenoude boom die een prominente plek in het ontwerp moet krijgen. Het installatieprincipe kan de opzet en het gezicht van een gebouw gaan bepalen (Centre Pompidou) of een bepaald materiaal dat voortkomt uit de historische context gaat een belangrijke rol spelen. De keuze is persoonlijk en meerdere inspiratiebronnen kunnen naast elkaar een rol spelen en elkaar versterken. Het concept groeit gaandeweg en is niet iets dat van bovenaf de boel dirigeert (top-down), maar juist iets dat zich vanaf de ‘werkvloer’ ontwikkelt (bottum-up) en dat gedurende het proces groeit door uit te proberen en keuzes te maken.

 

De ervaring leert dat bij veel studenten de neiging bestaat hiërarchisch te denken.  Studenten houden graag vast aan het klassieke 'stap voor stap'-model zoals dat in de inleiding geschetst is. Dat is bekend terrein en dat voelt kennelijk veilig. Dat is jammer, want daarmee blijven veel kansen en andere benaderingsmogelijkheden liggen.

 

Het grootste bezwaar dat aan de klassieke ontwerpmethode kleeft is wel dat studenten vaak ‘vast’ komen te zitten. Omdat stap twee pas gezet kan worden als stap één is afgerond en stap drie pas als stap twee klaar is, is de kans groot dat de radertjes ergens vastlopen. Als student ben je nog volop aan het leren en mis je overzicht -dus sla je af en toe de plank mis, dat hoort erbij. En dan duurt het vaak erg lang voordat het proces weer op gang komt. Studenten zijn in zulke gevallen vaak geneigd helemaal vanaf stap één opnieuw te beginnen.

Een ander nadeel is dat veel studenten niet meer toekomen aan de wisselwerking tussen schaalniveau's, die in het klassieke model in een later stadium van het proces aan bod hoort te komen. Als dit wel het geval is ontdekken ze vaak pas helemaal aan het eind van de rit dat het gekozen concept bijvoorbeeld wringt met praktische eisen die gesteld worden aan de opgave. Dan moet men weer terug in het ontwerpproces en moeten grote delen overgedaan worden.

Een derde nadeel tot slot is dat de methode vaak aan fascinaties en grillen voorbijgaat. Informatie die op het verkeerde moment binnenkomt wordt ter zijde geschoven, ook als die wel tot de verbeelding spreekt. ‘Daar ben ik nog niet aan toe’ is dan de reactie. Men vindt dat zolang de schaal van de stad nog geanalyseerd moet worden, er geen ruimte is om na te denken over zaken die in een later stadium pas aan bod horen te komen. Het model weerhoudt daarmee ook veel studenten ervan om vrij te associëren.

 

Deze nadelen heeft het model van het integrale ontwerpproces niet of in ieder geval in mindere mate. Met dit model kan tijdwinst gegenereerd worden en wordt de kans op vastlopen verkleind. Natuurlijk is het belangrijk dat de schaal die hoort bij de omgeving van het plan goed bestudeerd wordt, maar dat is nog geen reden om tegelijkertijd niet al andere onderwerpen op te starten. Want ook al weet je nog niet hoe het gebouw in elkaar zit of zelfs niet waar het staat, dan toch kun je misschien al iets zeggen over de sfeer die je in een tentoonstellingszaal wil bereiken met behulp van specifieke constructie-elementen, de geur die moet hangen in de hoofdruimte of de uitstraling die je wil dat het gebouw krijgt. En vooral; de detaillering kan naar voren gehaald worden in het proces. Details spreken namelijk tot de verbeelding en ze helpen je om  goed uit te drukken wat je bedoelt en wat je met het gebouw wil bereiken. In het integrale proces kan het denken over details veel eerder starten. 

 

De aanpak

Onze inzet bij dit atelier was om dit gedachtegoed over te brengen aan de studenten en om hen kennis te laten maken met deze methode voor zover ze dat nog niet gedaan hadden. We wilden hen graag laten ervaren wat het oplevert wanneer je niet vasthoudt aan een ‘lineair serieel’ ontwerpproces, maar er een ‘parallel’ proces van maakt. In de praktijk werkt het immers ook vaak zo.

 

Het belangrijkste in dit atelier was niet het eindresultaat maar het vertrouwd raken met deze methode, zodat de student inzichten op kon doen over architectuur en zijn of haar houding daarin. Architecten hebben vaak een zeer persoonlijke en eigen benaderingen tot de opgave. Die benadering is ontwikkeld door studeren, oefenen en ervaring. Om een persoonlijke verhouding met architectuur te kunnen ontwikkelen, is het van belang dat studenten tijdens hun studie inzien dat er verschillende manieren zijn om tot architectuur te komen en dat ze deze verschillende wegen ervaren en beoefenen.

 

De opgave was het ontwerpen van een expositiepaviljoen op de Fraeylemaborg bij Slochteren. Het programma was bekend en de locatie vastgelegd. De studenten moesten de eerste drie weken in groepen werken aan verschillende technische aspecten behorend bij een dergelijke gebouwtypologie. Daarna moesten ze in één week een uitgangspunt voor het bouwwerk vastleggen. Vervolgens werd ingezoomd op essentiële onderdelen van het uitgangspunt. Dit kon van alles zijn: Een constructief uitgangspunt, de benaderingswijze van het gebouw of de materialisering van een ontmoeting. Het doel was om de studenten te laten inzien dat het uitwerken van onderdelen bij het hanteren van deze ontwerpmethode invloed heeft op het geheel. Oftewel dat uitwerken en materialiseren (schaal 1:10) tot andere inzichten kan leiden over het geheel (schaal 1:100). De eerder door de studenten geformuleerde uitgangspunten mochten alleen bijgesteld worden door argumentatie vanuit het detail en/of de materialisering.

 

De resultaten

Het bleek voor de studenten een vrij moeilijke opgave. Bij de tussenpeiling had ongeveer de helft van de groep de opzet van het atelier goed onder de knie. Bij deze studenten was ook zichtbaar hoe het nadenken over de materialisering en detaillering hun ontwerp beïnvloed had en welke mogelijkheden er lagen voor het tweede deel van het atelier.

De andere helft van de groep was nog steeds bezig met een ontwerpproces van groot naar klein. Bij hen hebben we onderdelen uit hun plan gehaald waarin ze zich konden verdiepen om hen toch in de geest van het atelier te kunnen laten werken.

Dit heeft voor een aantal plannen gewerkt. Het ontwerp van Freddy Siekmans bijvoorbeeld is in het tweede deel van het atelier getransformeerd; aanvankelijk was het een gebouw dat samengesteld was uit elementen en materialen die allen gekozen waren vanuit de esthetiek van de individuele onderdelen, maar waaraan een samenhang ontbrak. Nadien werd het een gebouw waarin de draagstructuur en de afwerking een samenhangend geheel vormden. Materialen vervullen meerdere functies en de structuur is een samengesteld geheel dat niet alleen zorgt dat het gebouw blijft staan, maar in grote mate ook de expressie van het gebouw bepaalt.

 

In welk onderdeel van hun idee de studenten zich verdiepten varieerde. Grofweg waren er vijf categorieën:  De constructieve opzet (Annemieke Meems, Freddy Siekmans, Bram Scheurwater), het materialiseren van een ruimtelijk gevoel (Gerwin de Vries, Farzad Salehi, Andrieke Dollen), het zoeken naar de mogelijkheden van een materiaal (Egbert Zwarts, Erik Roerdink) en het uitdetailleren van een ontmoeting tussen twee volumes (Ischkra Sillen). Eén student waagde zich aan productontwikkeling (Ben van der Meer).

 

Conclusie

Het slagen van het project hing in grote mate af van of het de student lukte de bevindingen op detailniveau te vertalen naar het totaal. Geringe technische kennis zat enkelen daarbij soms in de weg. Waar dit wel lukte denken wij dat de studenten nieuwe inzichten hebben opgedaan in dit atelier. Wij wensen iedereen in ieder geval veel succes op hun vervolgpad.

 

 

Geir Eide

Age Albers