2. 5 Afstudeerjaar
Het afstudeerjaar neemt in veel opzichten een bijzondere plaats in. De student kan zelf een onderwerp en de begeleiders kiezen. Ook de ontwerpbenadering en de werkwijze kunnen grotendeels naar eigen inzicht worden ingevuld.
Het afstudeerproject is enerzijds gericht op het aantonen dat de student in staat is tot zelfstandige beroepsuitoefening in de architectuurpraktijk en anderzijds op het formuleren en demonstreren van een gefundeerde eigen opvatting (attitude). Tegelijk laat de student door het afstudeerproject zien te beschikken over een breed inzicht in, kennis van en visie op, de verschillende aspecten van het vak. Het afstudeerjaar kent een eigen regeling.
2.5.1 afstudeerregeling
- Het afstuderen kan pas beginnen als aan alle verplichtingen van de voorgaande drie studiejaren is voldaan (90 studiepunten en 90 punten voor de beroepspraktijk).
- De afstudeerperiode is één jaar. Bij uitzondering kan aan de studieleiding (directeur) verlenging worden aangevraagd. Vertraging van de afstudeerfase wordt niet toegestaan als daardoor de toegestane studietijd van zes jaar wordt overschreden. Wanneer dit in individuele gevallen tot onrechtvaardigheid leidt, kan daarvan gemotiveerd worden afgeweken. Dergelijke uitzonderingen worden echter in principe financieel op de student verhaald.
- Tijdens het afstudeerjaar hebben studenten nog andere verplichtingen, zoals het volgen van een onderwijsprogramma van 120 studiebelastinguren en een relevante beroepspraktijk. Wanneer studenten niet aan die verplichtingen voldaan hebben, wordt het diploma niet uitgereikt.
- Studenten kunnen individueel of samen met een of twee andere studenten afstuderen. Wanneer met meerdere personen wordt afgestudeerd, moet de bijdrage van de afzonderlijke studenten in het eindproduct worden aangegeven en duidelijk afleesbaar zijn.
- De start van het afstuderen bestaat uit het schrijven van een afstudeervoorstel.
- In het algemeen moet elk afstudeervoorstel de mogelijkheid bieden om te toetsen of de student in staat is als zelfstandig architect het beroep uit te oefenen.
- Naast de inhoudelijke omschrijving van het afstudeerproject dient elk voorstel de naam (namen) van de begeleider(s) te bevatten en bovendien een werkplan inclusief tijdsplanning.
- De goedkeuring van een afstudeervoorstel geschiedt formeel door de directie op advies van de staf. Alvorens het voorstel goed te keuren verzekert de afstudeercoördinator zich ervan dat ook de beoogde begeleiders volledig met het voorstel kunnen instemmen.
- Budget. Voor het afstuderen is per student een vast budget beschikbaar. Uit dat budget worden de vaste begeleiders, de eventuele incidentele begeleiders (specifieke deskundigen) en de afstudeercommissie betaald. De omvang van het budget wordt uitgedrukt in uren. Eén uur wordt betaald met € 25,-. Het budget voor een student die alleen afstudeert bedraagt 100 uren, voor 2 studenten die gezamenlijk afstuderen 132 uren, respectievelijk 160 uren voor 3 studenten.
Van het totale budget moeten 48 uren gereserveerd worden voor de openbare bijeenkomsten met de afstudeercommissie (schouwen) en de afstudeerzitting. De overige uren zijn beschikbaar voor begeleiding door de begeleider(s) (inclusief eventuele incidentele begeleiding door anderen).
- Studenten dienen hun afstuderen binnen het budget af te ronden. Iedere begeleider krijgt aan het begin van het afstudeerproject een overzicht van de beschikbare uren; als zij deze overschrijden, worden de extra uren niet uitbetaald. De afstudeercoördinator zorgt dat de activiteiten van de afstudeercommissie binnen het budget blijven.
- Na de goedkeuring van het afstudeervoorstel wordt de voortgang van het afstudeerproject bewaakt door middel van vier openbare bijeenkomsten (schouwen). De vierde bijeenkomst is het examen. In alle schouwen vindt een evaluatie van de getoonde studieresultaten plaats.
- De student verzorgt zelf de uitnodigingen voor de schouwen en het examen. Voor een volgende schouw wordt steeds na afloop van een schouw een nieuwe afspraak gemaakt. In de regel vindt een volgende schouw drie à vier maanden na de voorgaande plaats. Verplaatsing van een reeds afgesproken schouw is alleen mogelijk als de student dit voor de eerste van de maand waarop de schouw gepland staat doorgeeft aan de studieadministratie. In principe kan een schouw alleen worden verschoven als de afstudeerbegeleiders van mening zijn dat de student nog niet aan een volgende schouw toe is. In de planning van begeleidingsbijeenkomsten moet de student met deze regeling rekening houden.
- Groen licht. Tijdens de derde bijeenkomst wordt beoordeeld of de kwaliteit van het getoonde ontwerp voldoende is om af te studeren: de zogenaamde 'groen licht'-schouw. Alleen als de afstudeercommissie - unaniem - constateert dat het diploma zonder bezwaar tijdens de afstudeerzitting kan worden uitgereikt, wordt groen licht gegeven. De periode tussen de derde bijeenkomst en het examen (tussen 4 en 8 weken) is bedoeld om een goede presentatie van het ontwerp voor te bereiden. Als de afstudeercommissie geen groen licht geeft, moet een extra openbare bijeenkomst worden afgesproken.
- Uiterlijk twee weken voor de afstudeerzitting levert de student een korte samenvatting in van de inzet en het resultaat van het afstudeerproject. Het studiesecretariaat verzorgt de uitnodigingen aan de vertegenwoordigende organen van de beroepsvereniging, de andere Academies van Bouwkunst en Inspecteur voor het Hoger Onderwijs, waarbij de samenvatting is ingesloten.
- De student zorgt dat bij de afstudeerzitting ook voldoende schriftelijke documentatie (het afstudeerboekje) aanwezig is. Twee exemplaren daarvan worden, uiterlijk op de dag van het examen, ingeleverd bij de administratie (voor het archief en voor de mediatheek van de Academie).
- Het examen omvat:
- de presentatie van het afstudeerwerk door de student(en);
- een discussie van de examencommissie met de student(en);
- een kort beraad van de examencommissie over de kwalificatie die aan het afstuderen wordt toegekend;
- afsluitend commentaar van de begeleiders;
- diplomering: het diploma wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de examencommissie, de begeleiders en de externe deskundige.
2.5.2 De onderdelen van het afstuderen
De afstudeerperiode valt samen met het vierde studiejaar van het curriculum.
De afstudeerperiode bestaat uit drie delen:
- De initiële fase, waarin het afstudeervoorstel wordt gemaakt. De initiële fase eindigt met de goedkeuring van het afstudeervoorstel.
- De hoofdmoot van de afstudeerperiode wordt gevormd door het werken aan het afstudeerproject. Deze periode wordt geritmeerd door de schouwen, c.q. de bijeenkomsten van de afstudeercommissie.
- De afstudeerperiode wordt afgesloten met het examen.
ad 1 De initiële fase mag niet langer dan één kwartaal duren.
De voorbereiding valt onder verantwoordelijkheid van de student(en); ook als een Academie specifieke thema's of locaties voor afstudeerprojecten aanreikt, staat het de studenten vrij om al dan niet op deze suggesties in te gaan. Verderop (onder punt 3, participanten) wordt nader ingegaan op de rol van de begeleider en de staf.
De initiële fase kent twee meetpunten:
- in een zo vroeg mogelijk stadium wordt de studieleiding (afstudeercoördinator) geïnformeerd over de keuze van het onderwerp en de begeleiders;
- als daar overeenstemming over is wordt, zo mogelijk in overleg met de begeleiders, het eigenlijke afstudeervoorstel gemaakt. De goedkeuring van het afstudeervoorstel is de verantwoordelijkheid van de studieleiding (zie ook afstudeerregeling).
Het afstudeervoorstel heeft een tweeledige functie. Enerzijds is het een soort afspraak, het moet namelijk weergeven op welke manier aan de eindtermen zal worden voldaan. Anderzijds is het een nauwkeurige formulering van de afstudeeropgave. Dat wil zeggen dat in het afstudeerplan het wat, waarom en hoe van het afstudeerproject wordt verduidelijkt en gepreciseerd.
Het afstudeerplan is in feite al een volwaardige eerste studie naar het onderwerp en bevat als zodanig:
- Een inleiding;
- Een algemene probleemstelling en een analyse van de (algemene) probleemstelling;
- Een nauwkeurige probleemformulering vanuit de optiek van de discipline van de architectuur;
- Een aanduiding van de wijze waarop de hieruit voortgekomen architectonische vraagstelling door middel van deelstudies wordt onderzocht;
- De wijze waarop men een instrumentarium denkt te ontwikkelen om deze architectonische vraagstelling te kunnen aanpakken.
- Het uitgewerkte afstudeerplan met daarin vermeld de namen van de afstudeerbegeleiders, een zo nauwkeurig mogelijke planning van tijd en de verdeling van het beschikbare budget, wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afstudeercoördinator.
ad 2 Het afstudeerproject
De student moet - in overleg met de begeleiders - er zorg voor dragen, dat de openbare bijeenkomsten ook werkelijk als meetpunten functioneren. In het algemeen gesteld:
- In de 1e bijeenkomst toont de student de relevantie van het onderwerp, de analyse van de opgave, de ontwerpuitgangspunten, de belangrijkste keuzemomenten en een concept van het ontwerp;
- In de 2e bijeenkomst laat de student de gemaakte keuzen zien t.a.v. de omgeving en de antwoorden op de opgave, die in een schetsontwerp zijn vastgelegd; bovendien wordt er een voorstel gedaan voor de uitwerking;
- In de 3e bijeenkomst toont de student het definitief ontwerp, gerelateerd aan de eerdere uitgangspunten en keuzemomenten, en zo gematerialiseerd dat een oordeel over het eindproduct mogelijk is.
De schouwen functioneren als ijkmomenten in het studieproces. Het spreekt voor zich dat van de kant van de begeleiders en de overige leden van de afstudeercommissie wordt gekeken naar de voortgang en de kwaliteit van de studie. Tegelijkertijd kan de student de schouw inzetten als een instrument om zijn werkzaamheden te toetsen en biedt het de mogelijkheid discussies aan te gaan over bepaalde onderdelen of ontwikkelingsrichtingen.
ad 3 Het examen
Bij de eindpresentatie worden de volgende criteria gehanteerd:
- Een goed en beknopt geformuleerde probleemstelling.
- Een inhoudelijke verantwoording van de wijze waarop het plan, uitgaande van de probleemstelling, tot stand is gekomen. Het ontwerp moet kort gezegd een adequaat antwoord zijn op de in de opgave gestelde problematiek.
Bij de beoordeling zal worden gelet op de volgende elementen:
- De analyse van de opgave;
- De conceptuele kracht van het plan;
- De ruimtelijke kwaliteit van het plan in combinatie met de zorgvuldige inzet van architectonische middelen;
- De bouwkundige kwaliteit;
- De presentatie in beeld en geschrift;
- De samenhang tussen de voorgaande punten.
2.5.3 De participanten
In het volgende wordt de rol van de verschillende participanten bij het afstuderen kort verduidelijkt.
De student
De student werkt tijdens de afstudeerperiode zo veel mogelijk zelfstandig en is zelf verantwoordelijk voor de voortgang van de studie.
Tijdens zijn afstuderen wordt hij regelmatig geconfronteerd met toetsingsmomenten, waarin de voortgang van zijn studie wordt beoordeeld.
Daarnaast heeft hij of zij recht op de ondersteuning van de studieleiding (afstudeercoördinator) en, binnen de grenzen van het toegestane budget, op begeleiding door bij voorkeur twee begeleiders, waarvan er een hoofdbegeleider is.
Deze heeft tot taak om inhoudelijk overzicht te houden over het geheel van het studieproces.
De student kiest zijn of haar eigen begeleiders:
De begeleiders worden bij voorkeur gezocht buiten de docenten die op dat moment bij het onderwijs van de Academie betrokken zijn. Als er gegronde redenen zijn om dat niet te doen, kan van deze verplichting ontheffing worden aangevraagd.
De hoofdbegeleider dient architect te zijn. Studenten wordt geadviseerd ook een tweede begeleider te kiezen, die eventueel een andere - voor het project belangrijke - discipline vertegenwoordigt. Bij elk afstuderen dient vooraf duidelijk te zijn wie de hoofdbegeleider is. Ook is het mogelijk om incidenteel informanten (bijvoorbeeld voor constructieve adviezen) bij het afstudeerproces te betrekken. Dat moet wel binnen het toegestane budget gebeuren.
De begeleider
De begeleider fungeert tijdens het studieproces van de student als coach. Regelmatig bespreekt hij/zij met de student(en) de voortgang van de studie. De begeleider daagt de student door middel van vragen, kritiek, verwijzingen en suggesties uit om een zo goed mogelijk studieresultaat te bereiken.
De begeleider adviseert de student over de presentatie bij de openbare bijeenkomsten.
Hij/zij houdt een overzicht over het studieproces. Dat houdt in dat hij/zij de continuïteit van het hele proces probeert te bevorderen en bovendien probeert te voorkomen dat een student te lang in een fase (vaak in het begin) van het afstudeertraject blijft "hangen".
De begeleider is altijd aanwezig bij de schouwen, als lid van de afstudeercommissie.
Een vruchtbare samenwerking tussen begeleider en student wordt mede mogelijk gemaakt door een intensief overleg over het afstudeervoorstel. Vereist is in ieder geval, dat de begeleider volledig met het voorstel instemt.
Van de kant van de Academie mag de begeleider verwachten:
- Een kennismakingsgesprek met de studieleiding (afstudeercoördinator);
- De mogelijkheid tot overleg op korte termijn, als naar de mening van de begeleider het studieproces stagneert, de resultaten beneden de maat zijn of andere moeilijkheden rijzen. Dit overleg heeft hij/zij in principe met de studieleiding (afstudeercoördinator); omgekeerd verwacht de Academie ook van de begeleider, dat deze bijtijds een verstoring van het afstudeerproces meldt aan de afstudeercoördinator.
De afstudeercommissie / examencommissie
De commissie die de bevoegdheid heeft het diploma uit te reiken, is de examencommissie. Diezelfde commissie wordt tijdens de eerste drie openbare bijeenkomsten "afstudeercommissie" genoemd.
De belangrijkste taak van de afstudeercommissie is niet om de student te begeleiden, maar om de studieresultaten tijdens die drie schouwen te evalueren en te beoordelen.
De afstudeercommissie beoordeelt de studieresultaten in het licht van de gestelde opgave en toetst opgave en resultaat aan de minimale eisen die de opleiding stelt. Ze beslist of de student aan de volgende studiefase kan beginnen en toestemming krijgt om af te studeren. De examencommissie is bevoegd om het diploma, al dan niet met de kwalificatie "cum laude" uit te reiken.
De afstudeercommissie bestaat minimaal uit:
- Een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag (de directie); deze is voorzitter van de commissie en ondertekent mede het diploma;
- De studieleiding (de afstudeercoördinator) die tevens het secretariaat voert;
- De begeleider(s);
- Een externe deskundige. 'Extern' is iemand, die in de laatste twee jaar geen collegeserie op de Academie heeft gegeven of er ontwerpdocent is geweest. Ofschoon het ministerie geen Rijksgecommitteerde meer afvaardigt, blijft voor de Academie een externe toetsing van de kwaliteit van het onderwijs van het hoogste belang. De externe deskundige wordt door de afstudeercoördinator voorgesteld en benaderd in overleg met de student(en); de benoeming dient door de directie te worden bekrachtigd.
De staf
Onder "staf" wordt hier verstaan de studieleiding van de Academie van Bouwkunst Groningen. Uit het bovenstaande is al duidelijk, dat de staf adviseert over de goedkeuring van het afstudeervoorstel en vertegenwoordigd is in de (examen)commissie. Daarnaast dient de studieleiding (afstudeercoördinator) een actieve rol te vervullen in de initiële fase bij de totstandkoming van het afstudeervoorstel, door middel van instructie, advies en een goede organisatie.
De directie [bevoegd gezag]
Voor de Academie is de kwaliteit van de afstudeerprojecten belangrijk. Daarom speelt de directie minimaal op twee momenten een rol:
- De directie geeft de formele goedkeuring aan elk afstudeerproject, inclusief keuze begeleider en de samenstelling van de (examen)commissie;
- De directie (of haar vertegenwoordiger) is voorzitter van de examencommissie.