2.4 Beroepspraktijk
Het architectuuronderwijs van de Academies van Bouwkunst kenmerkt zich door de verwevenheid van studeren en werken in de beroepspraktijk. De opleiding kent daarom een curriculum met een binnenschools en een buitenschools deel. Het binnenschools deel is het onderwijs dat de student op de Academie volgt. Het buitenschools deel betreft de werkzaamheden die een student in de beroepspraktijk verricht, voor zover relevant voor zijn of haar opleiding tot architect. Het belang van het buitenschools curriculum blijkt uit het feit dat een student er de helft van de jaarlijkse studiepunten (30 studiepunten per jaar, 120 zogenaamde ects in totaal) behaalt. De wijze waarop studie en werken in de praktijk tezamen een volwaardige opleiding vormen wordt aangeduid als concurrency-onderwijs.
Het concurrency model is essentieel voor de opleiding tot architect aan een Academie van Bouwkunst. In de eerste plaats biedt het gelijktijdig werken in de praktijk de student ervarings- en leermomenten die aanvullend zijn op het binnenschools curriculum en die wezenlijk zijn voor zijn of haar professionele vorming. Studenten verbreden en verdiepen in de praktijk de kennis en vaardigheden die ze in de bachelorfase hebben opgedaan.
Daarnaast verwerven ze kennis en vaardigheden in aspecten van het vak die niet of slechts indirect zijn te realiseren in een binnenschools curriculum van de Academie. Te denken valt aan:
- de professionele uitwerking en realisering van ontwerpen;
- de confrontatie van het ontwerp met de regelgeving, financieringsmogelijkheden en de vele andere partijen en disciplines die bij een bouwproces betrokken zijn;
- de vaardigheid om een ontwerp geaccepteerd te krijgen en de uitgangspunten ook tijdens de uitvoering overeind te houden.
Ten tweede verruimt de combinatie van studie en werk het inzicht van de student in de discipline en de eigen ontwikkeling. De praktijkervaring stelt studenten namelijk in staat om de relevantie van het onderwijs te beoordelen en omgekeerd biedt het onderwijs studenten een kritische blik op de kwaliteit van hun eigen werk en werkomgeving. In de reflectie over beide gaat het steeds om een dubbele vraagstelling: “wat heb ik in mijn beroepspraktijk aan mijn studie en wat heb ik in mijn studie aan de beroepspraktijk?”. Deze reflectie als onderdeel van de opleiding leidt tot een wezenlijke verdieping van de professionele vorming van de individuele student.
Tenslotte draagt de gelijktijdigheid van werk en studie er toe bij dat de ontwikkeling van studenten veelal snel en intensief is. Dat moet ook, want gedurende de vier jarige opleiding dient de beginnende professional zich te ontwikkelen van bouwkundige tot ontwerper.
2.4.1 Inhoud van het buitenschools curriculum
Het binnen- en buitenschools curriculum zijn relatief zelfstandige, maar wederzijds aanvullende delen van de opleiding. In het binnenschools curriculum ligt de nadruk op de ‘discipline’ (d.w.z. het autonome deel van het vak) en de ‘context’ (d.w.z. de verstrengeling van de discipline met andere vakgebieden). Het buitenschools curriculum richt zich meer op de ‘professie’ (d.w.z. datgene waarmee de discipline binnen de beroepspraktijk en het concrete bouwproces kan functioneren). Het onderscheid tussen de beide delen van de opleiding is slechts indicatief. Juist de wisselwerking tussen binnen- en buitenschools curriculum is van belang voor de ontwikkeling van de student.
De wijze waarop een student zich in de praktijk ontwikkelt en de momenten waarop hij/zij de verschillende leerdoelen bereikt zal per individu verschillen. Het is afhankelijk van uiteenlopende factoren als het aanvangsniveau, interesses, inzet en ambitie van een student, maar evenzeer van de aard van de werkzaamheden, de kwaliteit van de werkomgeving en de kansen die een student geboden worden.
De onderstaande lijst met leerdoelen geeft aan welke kennis, vaardigheden en inzichten een student met name in de praktijk dient te verwerven. Een deel van deze leerdoelen (I, II, III, IV, V en X) zal eveneens in het binnenschools curriculum aan de orde komen.
Eindtermen praktijkleerdoel(en)
I. Architectonisch ontwerpen
- Vermogen tot het beeldend vormgeven aan een ontwerpopgave op verschillende schaalniveaus en in de verschillende stadia van het ontwerpproces dat zowel aan esthetische als aan technische, maatschappelijke, financiële en functionele eisen voldoet.
II. Presentatie
- Het effectief en adequaat kunnen presenteren van een ontwerp aan anderen.
- Het effectief en adequaat kunnen noteren van de verschillende stadia van het ontwerp tijdens het ontwerpproces.
III. Beroep
- Een juiste afweging (kunnen) maken tussen de eigen belangen als ontwerper en de impliciete en/of expliciete belangen en eisen die aan het ontwerp gesteld (kunnen) worden vanuit de vakdiscipline, de opdrachtgever, de gebruiker, de maatschappij en de onderneming waarbinnen de ontwerper opereert.
IV. Onderzoek en projectvoorbereiding
- Het (kunnen) voorbereiden van een project, of het actief (kunnen) reageren op de voorbereiding van een project door derden.
- Het (kunnen) uitvoeren van onderzoek ter voorbereiding van een project, of het actief kunnen reageren op onderzoek door derden.
V. Constructie
- Effectief en op basis van passende kennis en inzichten kunnen communiceren met de constructeur over de problemen en mogelijkheden van het constructief ontwerp.
- Voor de principes van de constructie ideeën en zonodig alternatieven kunnen ontwikkelen.
VI. Bouwfysica en installaties
- Effectief en op basis van passende kennis en inzichten kunnen communiceren met specialisten op het terrein van bouwfysica en installaties.
- Voorstellen kunnen doen voor de realisering en beheersing van een gewenst binnenmilieu (in relatie tot bouwfysica en installaties), als integraal onderdeel van een ontwerp van een bouwwerk.
VII. Bouwvoorschriften
- Effectief en op basis van passende kennis en inzichten kunnen communiceren met specialisten op het gebied van bouwvoorschriften en –regelgeving, zijnde voornamelijk vergunningverlenende en toezichthoudende overheidsinstanties.
- Zelfstandig initiatieven nemen om veranderingen en alternatieven met betrekking tot het plan te kunnen voorstellen.
VIII. Kosten
- Effectief en op basis van passende kennis en inzichten kunnen communiceren met specialisten op het gebied van bouwkosten en begrotingen over de relatie tussen het budget en de globale financiële gevolgen van de ontwerpvoorstellen.
- Zelfstandig aanpassingen en alternatieven met betrekking tot de budgettaire kanten van het ontwerp kunnen aandragen.
IX. Uitvoeringstechniek
- Beschikken over voldoende kennis omtrent het omzetten van ontwerpen in bouwwerken om hiermee bij het ontwerp rekening te kunnen houden en om te kunnen communiceren met de uitvoerende partij.
X. (Bouw)processen en procedures
- Beschikken over de benodigde kennis van het bouwproces om een actieve rol in de verschillende fasen van het bouwproces te kunnen spelen.
- Effectief en adequaat kunnen communiceren met alle betrokken partijen in het bouwproces en met specialisten, zoals bouwmanagers.
- In staat zijn in te spelen op de processen en procedures rond de besluitvorming over een project en het adviseren van de opdrachtgever hieromtrent.
2.4.2 Doel van het buitenschools curriculum
Het uiteindelijke doel van de opleiding is dat afgestudeerde studenten op een adequate wijze als ontwerper in de praktijk functioneren. Dat veronderstelt dat de student niet alleen de afzonderlijke leerdoelen van het binnen- en buitenschoolsprogramma heeft bereikt, maar deze op adequate wijze en in de onderlinge samenhang weet toe te passen in de ontwerppraktijk. Met andere woorden, dat hij de vermogens heeft ontwikkeld om als ontwerper te functioneren. Of een student dat kan valt af te lezen aan het gedrag dat hij in de uitvoering van zijn werkzaamheden vertoont. Het wordt zichtbaar door te kijken naar de gemaakte keuzes, de verantwoording daarvan en de reflectie daarop. Een student die de leerdoelen van het buitenschools curriculum heeft bereikt toont dit aan door:
- te kunnen omgaan met de complexiteit van het ontwerpproces en de onderlinge samenhang tussen de programmatische, technische, esthetische, maatschappelijke en financiële aspecten van de opgave.
- zelfstandig te zijn in de adequate invulling van de diverse werkzaamheden, zoals planning en de interne contacten met ontwerpers en tekenaars.
- (mede) verantwoordelijk te zijn voor de technische, esthetische en financiële kwaliteiten van de gemaakte (deel)ontwerpen en plannen.
- (mede) verantwoordelijk te zijn voor de realisatie van projecten.
- (mede) verantwoordelijk te zijn m.b.t. externe contacten met opdrachtgevers, instanties en bedrijven.
- (mede) verantwoordelijk te zijn voor de (afstemming van) interne bedrijfsprocessen.
2.4.3 Begeleiding
Studenten zijn zelf verantwoordelijk voor hun beroepspraktijk. De reeks van leerdoelen biedt hen een inhoudelijk kader, op basis waarvan zij zelf moeten zorgen voor de kwaliteit van de praktijk(werkzaamheden), de eigen vakontwikkeling en het realiseren van een optimale wisselwerking tussen binnen- en buitenschools curriculum.
De bewuste keuze voor een grote mate van eigen verantwoordelijkheid gaat vergezeld van begeleiding en ondersteuning. Deze bestaat uit:
Voortgangsgesprekken: De praktijkcoördinator voert regelmatig, maar tenminste één keer per jaar, een gesprek met een student over zijn of haar praktijksituatie, het individuele ontwikkelingstraject en de wijze waarop daarvan verslag wordt gedaan in het praktijkportfolio. Deze gesprekken vinden plaats op de Academie.
Bureaubezoek: Om zich te informeren over de positie van een student binnen het bureau bezoekt de praktijkcoördinator de student tenminste twee keer in een studieperiode op zijn/haar werkplek.
Jaarafspraken: Van studenten wordt verwacht dat zij nadenken over de wijze waarop zij de leerdoelen voor het praktijkdeel willen bereiken, uitgaande van de eigen situatie en rekening houdend met de beschikbare studietijd. Daartoe stellen zij een ‘plan de campagne’ op, waarvan de voortgang jaarlijks wordt besproken met de praktijkcoördinator. Gezamenlijk wordt per jaar vastgesteld wat de individuele leervragen van de student zijn en daarover concrete afspraken gemaakt.
Colleges: In het binnenschools curriculum wordt de wederzijdse beïnvloeding van praktijk en studie in het college beroepspraktijk aan de orde gesteld. Hier wordt expliciet aandacht besteed aan (de reflectie over) de samenhang tussen studie en praktijk. Het doel is studenten te stimuleren in het ontwikkelen van een eigen visie op en het leren innemen van een eigen positie in de praktijk en een koppeling te maken tussen de opleiding op de Academie en de opleiding in de praktijk.
2.4.4 Regelingen rondom de beroepspraktijk
Ten aanzien van het praktijkdeel van de opleiding gelden de volgende uitgangspunten en regelingen.
Participanten:
Student:
De student geeft zelf vorm aan zijn ontwikkeling in de praktijk en bewaakt en ontwikkelt zijn eigen kwaliteitsniveau. Dat geeft de student veel vrijheid, maar ook verantwoordelijkheid. Hij moet in overleg met Academie en werkgever zelf zorgen voor een zinvolle beroepspraktijk die bijdraagt aan zijn opleiding tot architect. Daarbij moet hij rekening houden met de kaders die de opleiding stelt.
Dit betekent dat:
de student verantwoordelijk is voor de inhoud en voortgang van zijn beroepspraktijk;
- de student zorgt voor een werkplek die voldoet aan de eisen die de opleiding daar aan stelt;
- de student zorgt voor een vruchtbare wisselwerking tussen binnenschools- en buitenschools curriculum;
- de student verantwoordelijk is voor het bereiken van de door de opleiding gestelde (praktijk)leerdoelen als onderdeel van het individuele leertraject.
Opleiding:
De beroepspraktijk maakt, als buitenschools curriculum, deel uit van opleiding aan de Academie van Bouwkunst. De Academie begeleidt en beoordeelt, tussentijds en afsluitend, de beroepspraktijk en de ontwikkeling van de student.
De Academie kent een coördinator voor de beroepspraktijk. Deze onderhoudt de contacten met studenten, het werkgeversveld, individuele werkgevers en met de staf van de opleiding.
De coördinator volgt de voortgang in de beroepspraktijk van studenten, stimuleert hen en beoordeelt de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de beroepspraktijken eventueel i.s.m. anderen, en biedt ondersteuning bij eventuele stagnaties in de voortgang. Naast een begeleidende kan de praktijkcoördinator ook een bemiddelende taak hebben. In geval van vacatures (via een vacaturebord) en conflicten in de relatie werk en studie kan de praktijkcoördinator als intermediair optreden tussen studenten en werkgevers.
De student mag verwachten dat de opleiding:
- duidelijke leerdoelen formuleert voor het praktijkdeel van de opleiding;
- duidelijke eisen stelt aan de inhoud van de werkzaamheden en de werkplek van de studenten;
- adequate faciliteiten biedt (m.n. begeleiding) om de student in staat te stellen de concurrency-formule optimaal te benutten.
- heldere regels hanteert voor de wijze waarop de praktijk van een student (tussentijds) wordt beoordeeld.
Werkgever:
In de visie van de Academie zijn de werkgevers mede verantwoordelijk voor de kwaliteit en inhoud van het beroep en de beroepsuitoefening. De Academie verwacht van de architecten/ werkgevers dat zij de Academiestudenten cq. werknemers een stimulerende werkomgeving en voldoende ontplooiingskansen bieden. In feite gaat het daarbij om een beroep op goed werkgeverschap.
De werkgevers mogen omgekeerd van de Academie van Bouwkunst verwachten dat deze duidelijke richtlijnen hanteert omtrent de inhoud en randvoorwaarden van de werkplekken van studenten en zorgt voor een duidelijk aanspreekpunt voor zaken de beroepspraktijk betreffende.
De opleiding verwacht van de werkgever dat deze:
- zich realiseert dat de Academie van Bouwkunst voorwaarden stelt aan de beroepspraktijk van haar studenten.
- zich realiseert dat hij een belangrijke voorwaardenscheppende rol heeft als het gaat om de werkzaamheden, de werkomgeving en -omstandigheden van de werknemer, die ook student is van de Academie van Bouwkunst. Daarbij gaat het om uiteenlopende zaken als:
- het aanbieden van een werkomgeving die ook een leeromgeving is. Dat wil zeggen dat hij de student in staat stelt werkzaamheden te verrichten die bijdragen aan diens ontwikkeling tot een adequaat handelende beroepsbeoefenaar, cq. ontwerper.
- het aanbieden van werkomstandigheden die de student in staat stelt om werk en studie te combineren. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van overwerk en de vrijdag altijd beschikbaar is voor onderwijs op de academie.
2.4.5 Werkplek
Voorwaarde voor inschrijving aan een Academie van Bouwkunst is dat de student in de beroepspraktijk werk verricht op een voor de opleiding relevante werkplek, d.w.z. een architectenbureau.
- Het is niet toegestaan om de studie aan de Academies van Bouwkunst te combineren met een eigen bureau.
- Aan de werkplek wordt verwacht dat er ontwerpen worden gemaakt en gerealiseerd en dat de student in zijn werkzaamheden actief wordt begeleid door één of meerdere ontwerpers.
- Van de werkplek wordt verwacht dat er sprake is van een stimulerende en uitdagende werkomgeving met voldoende voorwaarden voor de student om zich te ontwikkelen tot een adequaat handelende beroepsbeoefenaar (ontwerper).
- Van de werkplek wordt verwacht dat de infrastructuur van voldoende niveau is: beschikbaarheid van vakliteratuur, documentatie over regelgeving en materialen, mogelijkheid tot discussie over het vak etc.
- Van de werkplek wordt verwacht dat deze de student in staat stelt om, in de loop van de studie, met alle onderdelen van het ontwerp- en bouwproces te maken te krijgen en inzicht te verwerven in de samenhang tussen die verschillende onderdelen van het traject (van ontwerp tot oplevering).
- Om tot een evenwichtige verhouding tussen studie en werk te komen wordt uitgegaan van een werkweek van minimaal 20 en maximaal 32 uur. De vrijdag moet voor de studie beschikbaar zijn.
- De opleiding adviseert studenten om binnen het bureau waar men werkt een mentor te zoeken. Deze fungeert voor de opleiding tevens als contactpersoon.
- De praktijkcoördinator kan, aan de hand van bovenstaande punten en de inhoudelijke eisen voor het praktijkdeel, tot de conclusie komen dat een bureau niet de juiste faciliteiten en/of condities kan aanbieden om geschikt te zijn als werkplek voor een student aan de Academie van Bouwkunst.
- De praktijkcoördinator kan een student adviseren om een andere werkplek te zoeken als het soort bureau of de aard en kwaliteit van de werkzaamheden of een combinatie van beide niet voldoende bijdragen aan diens gewenste ontwikkeling. Dat advies is niet vrijblijvend, maar kan bij het niet opvolgen ervan leiden tot het niet toekennen van studiepunten. Het is aan de student om daaruit conclusies te trekken.
- Indien de praktijkcoördinator een student, in verband met een mogelijke onthouding van studiepunten, dringend adviseert om naar een andere werkplek om te zien, wordt hiervoor in gezamenlijk overleg een termijn afgesproken die voor alle betrokken partijen als redelijk kan worden ervaren.
2.4.6 Studiepunten
- Het werk in de praktijk vindt tegelijkertijd met de studie plaats
- Per studiejaar kan een student (maximaal) 30 studiepunten (ects) krijgen voor de praktijkwerkzaamheden. Hiervoor moet de student minimaal 840 uur hebben gewerkt. Dat zijn 42 weken van 20 tot 32 uur. Voor de gehele studie gaat het om 3360 uur praktijk = 120 studiepunten (ects).
- De toekenning of het onthouden van de studiepunten is gebaseerd op de beoordeling van de werksituatie en de mate van ontwikkeling van de student.
- Van de jaarlijkse studiepunten wordt de helft toegekend op basis van een kwantitatieve beoordeling en de andere helft op basis van een kwalitatieve beoordeling door de beroepspraktijkcoördinator.
- Indien een student in een jaar minder dan 840 uren heeft gewerkt worden overeenkomstig minder studiepunten toegekend.