Transforming present school building design procedures to generate sustainable outcomes using integrated approaches.
Startdatum: 1 februari 2010
Naam promovendus + functie: R. de Vrieze, hogeschooldocent Bouwkunde
Naam promotor: prof.dr. H.C. Moll, Graduate School of Science, Rijksuniversiteit Groningen
Korte inhoud van het onderzoek:
Er zijn ernstige zorgen over de kwaliteit van de huisvesting in het primair onderwijs. Zo’n 1,5 miljoen
leerlingen brengen een groot deel van hun tijd door in gebouwen, waarvan de gebouwprestaties
onderpresteren, vaak ook niet eens voldoen aan minimale normen. Ook worden pedagogische
belemmeringen ervaren, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van voldoende flexibiliteit in het
gebouw. Maatschappelijke behoeften zoals die passen bij een duurzaam schoolgebouw met een laag
energieverbruik en toepassing van milieuvriendelijke materialen worden wel steeds meer nagestreefd,
maar onvoldoende in verband gebracht met hun effecten op de gebruikers. Uiteindelijk hebben vooral
de leerlingen te maken met de hieruit voortvloeiende fysieke gevolgen, die belemmeringen
veroorzaken in hun (leer)ontwikkeling. Met andere woorden leerlingen presteren minder doordat ze te
maken hebben met condities van een gebouw waardoor hun concentratie minder wordt, ze zich
minder prettig voelen en in een ongezonde leefomgeving zijn gehuisvest. Dat kan niet duurzaam zijn.
Om een echt duurzaam schoolgebouw te maken moeten de gebruikersbehoeften bekend zijn. Echter,
ook binnen de pedagogie is het niet goed duidelijk aan welke eisen een onderwijsomgeving zou
moeten voldoen. Gevolg is dat geen visie gelijk is en daarmee geen schoolgebouw gelijk is. Dat heeft
weer tot gevolg dat er niet gestandaardiseerd en geoptimaliseerd kan worden. De grote vraag is dus
aan welke eisen de fysieke omgeving zou moeten voldoen om elke individuele leerling maximaal te
laten presteren en hoe dit dan de pedagogische visie en behoeften beïnvloedt en vervolgens
maatschappelijk intervenieert om een echt duurzaam schoolgebouw te realiseren en waarom doen we
dit dan niet? Dat betekent een grondige analyse van de problemen die er spelen, met de leerling
behoefte centraal gesteld.
Problemen:
Vanuit de bouwkolom alleen weet men dus ook niet goed raad met de behoeften zolang het
onderwijsveld zelf ook niet goed weet wat het beste is en ook steeds geconfronteerd wordt met
veranderingen en nieuwe inzichten voor het onderwijsprogramma aanbod (oa. nieuwe regelgeving).
Ook dit is een moeizaam proces. Veel nieuwe schoolgebouwen blijken fysiek niet eens aan de
gewenste beleving en gebruikswensen te voldoen en dit beïnvloedt weer de prestaties, die op termijn
alleen maar groter dreigen te worden. Problemen ontstaan er op fysiologisch en psychologisch terrein
waarbij duurzaamheid maar een betrekkelijk begrip lijkt.
Een inventarisatie heeft opgeleverd dat een aantal problemen hierbij de boventoon voeren:
- Slecht binnenklimaat en ongezonde leefomgeving
- Ontbreken financiële relatie tussen nieuwbouw en instandhoudingfinanciering
- Groei grote multifunctionele accommodaties (zonder bewezen betere onderwijsprestaties) en
leegstand kleine scholen
- Maatschappelijke ontevredenheid (ontbreken sociale binding)
- Onduidelijke verantwoordelijkheid in bouwprocessen (falende processen)
- Tegenvallende gebouwprestaties en flexibiliteit van de leeromgeving
- Geen schoolgebouw is gelijk
- Leerlingen staan niet centraal
- Onduidelijke verantwoordelijkheden van alle betrokken actoren
Menselijke behoeften:
Uit een verkennende analyse van het probleemgebied is dus gebleken dat het hier gaat om vooral het
ontbreken van duidelijkheid in de fysieke behoeften en de volgorde waarin men de deze behoeften
zouden moeten prevaleren: de (individuele) leerling behoeften, de pedagogische behoeften en de
maatschappelijke behoeften. In de huidige situatie lijkt het echter eerder andersom te werken en wordt
de gebruiker een sluitpost. Maatschappelijke behoeften spelen hier dus een grote rol. Het onderzoek
richt zich vooral op de fysiek passende leeromgeving, waarin met duurzame oplossingen zowel de
leerling behoeften, de pedagogische behoeften, en de maatschappelijke behoeften worden
ondersteund, door deze vanuit een psychologische (sociaal-emotioneel), ecologisch (duurzaam) en
fysiologisch spectrum met elkaar in verband te brengen. Een mooi voorbeeld is een Oostenrijks
onderzoek waaruit is gebleken dat een massief houten wand opbouw in een klaslokaal een erg
gunstig fysiologisch effect had op het aantal hartslagen en dus een duurzame maatregel is. Een eigen
observatie toonde dat leerlingen uit de onderbouw veel meer spreken over de behoefte aan
beslotenheid, veiligheid terwijl de bovenbouw meer behoefte heeft aan spannende elementen.
Middelbare scholieren leggen zwaartepunten op zich onderscheiden in eigen groepjes en sociale
verbondenheid, terwijl studenten het hebben over zichzelf ontwikkelen. Een organische ontwikkeling
van accentverlegging in fysieke behoeften komt niet overeen met hoe we nu klaslokalen bouwen.
Vanuit deze benadering zou je dus veel eerder denken aan het bouwen naar hoe fysieke behoeften
worden bevredigd (behoefteschillen). Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de verschillende
theorieën waarvan Maslow wel de bekendste is maar ook weer kritiek oplevert. Zetten we meerdere
theorieën naast elkaar (ook de motivatie theorieën) dan blijkt daar wel duidelijk een onderling verband
in te zitten. Deze theorieën beschouwd en dit ‘losgelaten’ op alle actoren in het bouwproces van
scholenbouw maakt wel duidelijk dat belangen alles te maken hebben met psychologische
achtergronden. Op een nog hogere abstractie zou je ook filosofische aspecten hierbij kunnen
beschouwen, want waarom we ons zo gedragen heeft een dieper liggende oorzaak, die evolutionair
lijkt te zijn bepaald. Dan wordt ook duidelijk waarom we steeds meer comfort willen, en waarom
cognitieve invloeden het verliezen van de oerbehoeften.
Gevoelsaspecten blijken hoe dan ook in alles wat we doen een grote invloed te hebben. Op de
prestaties van individuele leerlingen, de leerkracht, schoolbesturen, gemeenten de maatschappij. Er
zijn al goede onderzoeken en voorbeelden waaruit blijkt dat een natuurlijke omgeving voor leerlingen
in alle opzichten leidt tot betere prestaties op gezondheid, welzijn, en gedrag. Dat komt goed uit bij het
duurzaam willen bouwen en gebruik willen maken van natuurlijke materialen. Dat vraagt om een
andere benadering in het denkproces van bouwen en het bouwproces zelf: een change mindset met
daarin een grotere bewustwording van ieders eigen behoeften. Toch weerhoudt ons er iets van om
ons te voegen naar de behoeften van leerlingen, pedagogische inzichten en maatschappelijke
aannemelijke voorstellen.
Integrale benadering:
In eerste instantie lijkt er weinig wetenschappelijk onderzoek te bestaan met betrekking tot relaties
tussen het onderwijs en onderwijshuisvesting. Nader beschouwd blijkt dat het hier om veel meer
vraagstukken gaat die van een dusdanige orde zijn dat hier niet alleen om een gebrek aan relatie
tussen onderwijs en huisvesting gaat, maar vooral om een gebrek aan een integrale
systeembenadering zoals dat bij bijvoorbeeld consumentenproducten wel het geval is. Bij gebouwen
werkt het kennelijk anders. Raadplegen van verschillende vakgebieden (denk aan
omgevingpsychologie, medische milieukunde) is nodig deze situatie te doorbreken. Alles wijst erop dat
het ontwerpen en maken van een gebouw vanwege de complexe samenhangende vraagstukken
vraagt om een integrale benadering van sociale en technische wetenschappen.
De vraag in hoeverre behoeften op dezelfde manier worden begrepen door verschillende disciplines
maakt weer deel uit van de behoeftetheorie die zal worden gebruikt om een ander benadering van
bouwprocessen mogelijk te maken.
Duurzaam bouwen:
In dit onderzoek zullen menselijke behoeften en een verdergaande introductie van andere
vakdisciplines binnen de bouwkolom centraal staan. En als derde punt komt daarbij de natuurlijke
benadering van bouwen. Het duurzaam bouwen vraagt ook om specifieke kennis van materialen en
oneindigheid in gebruik van elementen en inzicht in natuurlijke energiezuinige werkingprincipes (denk
aan als sensoren werkende natuurlijke mechanismen).
Alhoewel opvallend genoeg elke uiteinde een natuurlijke benadering voorstelt zal het model pas een
change mindset opleveren, en een transformatie tot stand brengen van de bekende vorm volgt functie
(Sullivan) naar ‘perceptie volgt behoefte’, wanneer deze elkaar versterken in concrete bouwkundige
(fysieke) elementen.
Dit is een eerste stap in de triangulatie van ideaaltypisch naar retrospectief (kijken wat werkt) en een
prospectief (interveniërend) onderzoek: het transformeren van tegenwoordige procedures voor het
ontwerpen van schoolgebouwen naar algemeen toepasbare en duurzame prestaties door gebruik te
maken van integrale benaderingen.
De doelstelling van het onderzoek kan daarmee gedefinieerd worden als het opleveren van een
programma met concrete randvoorwaarden en bewezen systematiek om hiermee het opstellen van
een plezierig ervaren, duurzaam, en gezond schoolgebouw voor het basisonderwijs die de prestaties
vanuit leerling, pedagogische en maatschappelijk behoefte vervult en een change mindset in de
bouwkolom mogelijk maakt vanwege het vergroten van het bewustzijn dat het vooral de menselijke
behoeften zijn die ons handelen verklaren.
De opdrachtgever, het Kenniscentrum Noorderruimte, wil haar kennis ontwikkelen en verspreiden
zowel naar buiten als naar binnen, het onderwijscurriculum). De resultaten uit het onderzoek kunnen
ook een breder doel dienen zoals toepassing bij het VO en hoger onderwijs.
Ron de Vrieze
Groningen
Oktober 2011