V: Linda, jij bent de oprichter van Music for Life. Hoe ben je op het idee gekomen van muziek voor mensen met dementie? Is het een origineel idee, of bestonden er al vergelijkbare initiatieven?
Linda: Nee, het bestond nog niet, maar het is een project dat langzaam is gegroeid. Het begon met het ontwikkelen van werk dat al gedaan werd door de Guildhall School for Music and Drama in Londen in een opleiding ‘performance and communication skills’, waarbij studenten werden aangemoedigd om in scholen te werken. In die tijd deed ik werk met ouderen, overigens voor de eerste keer. Daarvoor had ik gewerkt als docente en onderwijsadviseur. Het viel me op dat er een heel groot deel van de bevolking was die buiten de aandacht viel, we hebben het nu over 1990, 1991. De bevolking was duidelijk aan het verouderen, maar toch gebeurde er nauwelijks werk op dat gebied. Ik slaagde erin een module op te starten waarin gewerkt werd met studenten die aan de slag gingen met ouderen in een centrum voor dagopvang.
V: Ging het in die tijd al over werken met mensen met dementie?
Linda: Nee, zo is het niet begonnen. Een omslagpunt kwam halverwege de jaren negentig, toen de The Community Care Act in Groot Brittannië van kracht werd. Dit betekende dat mensen langer thuis bleven wonen en pas in een veel later stadium in verzorgingshuizen werden opgenomen, vaak toen ze al veel verwarder en fragieler waren. En dit zorgde voor veel uitdagingen voor de managers van die tehuizen, en natuurlijk ook voor onze musici.
V: Was het een uitdaging voor de musici? Zou je de vijf belangrijkste vaardigheden kunnen noemen die musici nodig hebben voor dit werk?
Linda: Het was een enorme uitdaging voor de musici. Een van de dingen die ze moesten leren begrijpen was het tempo waarin ze moesten werken, wat veel lager lag. Veel musici waren gewend met kinderen te werken, en hier moest het tempo juist heel laag liggen. Ook was het belangrijk dat muzikale structuren niet te ingewikkeld waren als drie of meer musici tegelijk speelden. De mensen waren in staat om zich te richten op hooguit een of twee musici die tegelijk speelden. Ook moesten ze opletten op de wisselwerking, alert zijn, want sommige mensen hebben een gehoorbeperking. Ze moesten begrip hebben voor de ruimte die je kunt gebruiken, weten hoe dicht je bij iemand kan komen zonder dat ze daardoor van slag zouden raken, en veel gebruik maken van oogcontact.
V: Ik kan me voorstellen dat dit niet iets is voor alle musici, je moet er een bijzonder iemand voor zijn.
Linda: Dat klopt. Het gaat om de persoon achter de muzikale vaardigheden. Maar kwaliteit is zeker ook van belang, want de muziek moet altijd grote muzikale integriteit hebben. In het begin hadden we musici die minder ervaren waren dan de groep waar we nu mee werken. En het is essentieel om absolute topmusici te hebben, die ook grote improvisatievaardigheden hebben. Al is het maar één noot, het moet echt prachtig zijn, het beste dat ze kunnen.
V: Hoe meet je de effecten? Is er een evaluatie met de musici, of met de bewoners van het tehuis? Hoe werkt dit?
Kate: Een project bestaat uit acht sessies van één uur per week. De workshop zelf duurt een uur, maar we zijn zo’n drie uur in een tehuis. We hebben een uur voorbereiding en een uur nabespreking (debriefing). En er is altijd een evaluatie, ongeveer een maand na het project. Dus na verloop van tijd ontwikkelt zich een gevoel van wat de cultuurveranderingen zijn in een tehuis. En wat voor invloed het ook op de andere verzorgers heeft.
Linda: En er is ook veel contact met mensen die zorg dragen voor de opleiding van de medewerkers en dit gaat door informele feedback en formele feedback. In zekere zin hebben we dit beschreven als een soort voortdurend gesprek, het hele project zelf is eigenlijk ‘action research’.
V: Hoe worden de verzorgers geselecteerd?
Kate: We praten met de manager over wat voor soort ondersteuning we nodig hebben. Van het team van verzorgers hebben we een zekere ondersteuning en samenwerking nodig voor het echt kan werken. Maar we vinden het prettig als het team zichzelf als het ware uitzoekt, zodat we mensen hebben die echt deel van het project willen zijn. Maar natuurlijk zijn er ook managers van de tehuizen die hun eigen ideeën hebben, bijvoorbeeld als er net een nieuw personeelslid is aangetrokken en ze het project willen gebruiken als een kans voor die persoon om de ouderen te leren kennen. Dus ja, het is een mix van allemaal dingen.
Linda: Tijdens de debriefings wordt er ook altijd veel gesproken over het werken met de verzorgers, omdat we relaties met hen willen opbouwen en hen willen helpen relaties met de ouderen op te bouwen. Het is dus een belangrijk onderdeel van het werk.
V: Als een tehuis besluit dit project te gaan doen, hebben ze dan speciale faciliteiten nodig?
Kate: Eigenlijk stellen we nogal wat eisen aan een tehuis We hebben een gecontroleerde omgeving nodig en een afgeschermde ruimte. We moeten ervan uit kunnen gaan dat de mensen in de ruimte niet gestoord worden tijdens de sessie. We weten dat we daarin geslaagd zijn als de ruimte erom heen stil is.
Linda: Ja, het moet geen doorgangsroute zijn. Je wilt niet dat er dokters of manicuristen of andere mensen op de deur kloppen om te vragen of die en die met hen mee kan komen. De managers moeten er beslist voor zorgen dat een sessie afgeschermd is en dat niemand stoort. Daarnaast moet er een vaste groep verzorgers zijn. Als er vijf mensen geselecteerd zijn om aan het project deel te nemen, of zich daar vrijwillig voor opgeven, moeten ze aanwezig zijn bij alle acht sessies. Verder vragen we om een veilige, af te sluiten plek voor de instrumenten, en, heel belangrijk, een ruimte waar de debrief zonder interruptie kan plaatsvinden, dus een ruimte voor de musici en de verzorgers om de sessie na te bespreken. En de verzorgers moeten twee uur beschikbaar zijn, wat best veel is om te vragen van een tehuis.
V: In Engeland worden al twintig jaar muzikale workshops gegeven, en nu worden ze ook in Nederland opgezet. Zijn er verschillen tussen beide landen?
Linda: Dat verwachten we wel. Maar Kate en ik weten nog niet wat de context hier zal zijn, of hoe de structuur van de tehuizen is. We weten bijvoorbeeld niet of persoonsgebonden zorg een fundamentele filosofie is in tehuizen in Nederland. Natuurlijk gaan we ook kijken naar training en ontwikkeling van de musici. In Engeland hebben we een soort leerlingensysteem waarbij onze ervaren musici de beginners ondersteunen en een mentor voor hen zijn. Hoe dat logistiek in beide landen moet worden opgezet, moeten we nog uitzoeken.
Kate: Waar het op neerkomt is dat we een nieuw team opzetten, vanaf de basis. Er zullen dus veel dingen zijn die van de buitenkant anders lijken, maar ik hoop dat de waarden en de integriteit van het project overkomen en een centraal aspect blijven van het werk, ook al manifesteert zich dat op een iets andere manier. Van de mensen die we hebben ontmoet weten we al dat ze onze waarden delen. En als het project er hier een beetje anders gaat uitzien omdat de structuren in Nederland anders zijn, dan gaan we het opzetten op een manier die hier het beste past.
Interview Annejoke Smids, 21 mei 2010