Nederlands  |  English  |  Deutsch  |  中文  |  Русский  |  Български
Home  |  Contact  |  Zoek  |  Sitemap  |  Vacatures  |  Disclaimer
 
Nieuws Agenda
home / Schools / Het bezeten zoeken van Jouke Wouda (1928-2011)

Het bezeten zoeken van Jouke Wouda (1928-2011)

Groningen, 15 november 2011 - Op 20 juni 2011 stierf Jouke Wouda. Hij werd 83 jaar. Van 1964 tot 1996 doceerde hij aan Academie Minerva de vakken portret, stilleven en naaktmodel. Na zijn pensioen trok hij zich terug in zijn atelier in Essen, tussen Groningen en Haren. Daar leefde hij stil, zó stil, dat we bijna zouden vergeten wat zijn betekenis voor de academie was.


Jouke Wouda was kind uit een doopsgezind gezin in het Friese IJlst. Na de middelbare school en kweekschool in Bolsward en enkele jaren onderwijzerschap, ging hij op 27 jarige leeftijd naar Den Haag om daar aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst de lesbevoegdheden MO-A en MO-B tekenen te halen. Deze studies (bij elkaar 5 jaar) kenden een klassiek academisch programma waarin van oudsher (sinds 1881) veel aandacht werd besteed aan traditionele vakken zoals portret en stilleven, plastisch ruimtelijk modelleren, fantasie, het tekenen naar naaktfiguur, het componeren van verschillende modellen op grond van een verhaal, toepassing technieken, buitentekenen, tekenen op schoolbord, grafiek, aquarelleren en olieverfschilderen. Film, video en computermedia waren toen nog niet opgenomen, wel was er fotografie, dat in Den Haag door de toekomstige tekenleraren facultatief kon worden gevolgd. Naast deze praktische vakken kende de opleiding een uitgebreid theoretisch programma met kunstgeschiedenis en didactiek van de kunstbeschouwing, cultuurgeschiedenis, meetkunde en perspectief, psychologie, vakdidactiek en -methodiek.

De Kattenmepper/Jouke Wouda

Met dit alles in zijn bagage kwam Wouda, nadat hij in 1960 zijn MO-B bevoegdheid had gehaald, goed voorzien in de praktijk. Zoals veel afgestudeerden na het behalen van deze akten, combineerde hij het leraar- en kunstenaarschap met elkaar. Hij gaf tekenlessen aan de middelbare school, tekende veel buiten in de natuur, schilderde zijn vrouw Jon en zoontje Malse Jouke en maakte grote composities met landschappen en herinneringen uit zijn jeugd. Later, toen hij les gaf aan Academie Minerva, tekende hij tijdens de jaarlijkse werkweek op Terschelling met zijn collega’s en studenten, de duinen van het eiland afwisselend in donkere vlekken, zachte kleuren en zoekende lijnen in zwart krijt of aquarel.

Minerva’s revival
Op 1 oktober 1964 kwam Wouda als docent aan Academie Minerva waar kort daarvoor de Rotterdamse graficus Wim Zwiers tot directeur was aangesteld. De school stond onder bevoegd gezag van de gemeente en was, na als afdeling kunstnijverheid meer dan 40 jaar onder de vlag van de Middelbare Technische School een anoniem bestaan te hebben geleid, eindelijk weer een zelfstandige kunstschool geworden. Zwiers had de taak om het achtergebleven schooltje met in totaal toen niet meer dan 50 studenten (de hele school ging naar de Documenta van Kassel in één bus) haar zelfvertrouwen terug te geven. Dat ging met vallen en opstaan maar kreeg vaart toen in 1968 de geest van die jaren doorbrak. Jouke Wouda openbaarde zich in dit proces als een politiek geïnspireerd docent, die zich samen met sommige collega’s, zoals Van Hijum en Kraaijpoel, tot taak had gesteld, om de school een zo plat en gedemocratiseerd mogelijk bestuur te geven, zó, dat het tot dan toe schools georganiseerde onderwijs, efficiënt en open, voor elke student toegankelijk kon worden gemaakt.
In 1972 werd hij, na twee jaar van bezettingen, experimenten, aanhoudend rumoer en gesprekken met de gemeente, voorzitter van de academieraad, een gedemocratiseerde bestuursraad die bestond uit vijf docenten, vijf studenten en twee leden van het ondersteunend personeel, die door de school was afgedwongen en op grond van artikel 61 van de gemeentewet, als raadscommissie, een bijna volledige beslissingsbevoegdheid kreeg gedelegeerd. Elk jaar werden in de school verkiezingen gehouden. Elk lid had een stem (‘one man one vote’). Ook de directeur was lid van de raad en had eveneens één stem.
Zwiers voelde zich niet thuis in dit systeem en was regelmatig afwezig vooral toen hem duidelijk werd, dat het stadscollege waarin jonge politici als Max van den Berg (de huidige commissaris van de koningin) en Jacques Wallage (de vorige burgermeester), die sinds 1970 steeds meer het roer van de oude regenten overnamen, een groeiende voorkeur had voor de nieuwe bestuursopzet van Academie Minerva en steeds minder oor had voor de bezwaren van de directeur. Zijn afwezigheid leidde ertoe dat Wouda als eerste voorzitter van de in augustus 1972 officieel ingestelde raad, naast zijn docentschap, eveneens een hele periode lang de verantwoordelijkheid moest dragen voor de dagelijkse uitvoering van de school.

Docent en kunstenaar
Met het instellen van de academieraad werd ook het onderwijs gedemocratiseerd en daardoor beter toegankelijk voor de studenten. Ze konden voor het eerst vanaf het tweede studiejaar binnen bepaalde voorwaarden uit de beschikbare vakken en docenten hun eigen studieprogramma samenstellen, In dit keuzerooster gaf Wouda tot aan zijn vertrek in 1996 de vakken modeltekenen en –schilderen.
Zijn docentschap werd gekenmerkt door een scherp inlevingsvermogen in het werk van zijn studenten. Hij zag het werk nooit los van de persoon. Altijd vond hij individuele aanknopingen voor verdere ontplooiing. Vaak was hij het tijdens de beoordelingsbesprekingen niet eens met het oordeel van collega’s, vooral als hij vond dat een te formeel standpunt werd gevolgd. Dan sprong hij, vaak met grote volharding, in de bres voor de student.
Voor Wouda stond in de natuur niets vast, alles was afhankelijk van de individuele menselijke beleving en dus constant in beweging. Wel was er volgens hem een hoger verband dat ter verrijking van dat individuele zoeken, veeleer het onderwerp van de kunst moest zijn. Daarover kon hij urenlang praten. Door zijn collega’s werd Wouda gewaardeerd om zijn integriteit, maatschappelijke aandacht en didactische kwaliteiten. Hij spoorde zijn studenten aan om met hun werk consequent in dialoog met de gemeenschap te staan. In het geheel van het lesaanbod in de school stond Wouda in het midden, tussen de abstracte en conceptuele docenten en die van de figuratie in. Vanuit zijn empathische vermogen wist hij beide kanten te bedienen want bij hem ging het niet om stijl maar om aandacht voor de eigen hantering van kwaliteiten als contrast, beweging, kleur, licht en poëzie.
Met aandacht voor deze elementen componeerde hij in zijn tweedejaarslessen de stillevens, zó, dat iedereen in staat was er iets van te maken. Het waren simpele opstellingen van gekleurde vorm, een geel vierkant, een felrood stukje karton, geheimzinnig blauw, een wit plastic bekertje, restvormen en licht. Ze verschaften de leerlingen plezier en fascinatie en een groeiend zelfvertrouwen. Vooral studenten die een eigen intieme beeldtaal wilden krijgen, voelden zich wel in zijn les. Want hij stelde zijn eisen, was tegen een vaste methodiek en wilde dat iedereen steeds weer opnieuw de wereld onbevangen tegemoet trad en interpreteerde. Zoeken stond bij hem boven weten, het proces boven het resultaat. Hij kon een technisch goed geschilderd portret volkomen afwijzen, omdat het zoekend werkproces ontbrak. Dat bezeten zoeken was kenmerkend voor zijn docentschap. Steeds weer zocht hij in zijn bespreking van werk van studenten andere woorden, om hiermee de zoektocht naar het beeld van die ander ook voor zichzelf inleefbaar te maken.
Naast zijn docentschap aan Minerva was hij tussen 1971 en 1986 lid van verschillende landelijke commissies: het tertiair onderwijs, het landelijk overleg TEHATEX, de docentenvertegenwoordiging in de VABK (Vereniging van Academies voor Beeldende Kunsten) en de Sectie 10, het beleidsoverleg kunstonderwijs van de HBO-raad waar hij, tot zijn opheffing in 1986, lid van was. Ook was hij lid van de BBK, de Bond van Beeldende Kunstenaars.
Als schilder werkte hij in lyrische vormen en lijnen die hij in Den Haag opdeed bij het zien van werk van Haagse kunstenaars als Willem Hussem, Jaap Nanninga en Piet Ouborg dat tijdens zijn studie regelmatig in de stad werd getoond. In zijn tekeningen vinden we de zoekende lijnen, krassen en abstracte vlekken van deze kunstenaars terug. Het zijn tekeningen die hij buiten maakte en later op grote stukken board in zijn atelier in olieverf vertaalde. Ook drongen herinneringen en dromen uit zijn jeugd zijn schilderijen binnen, vooral toen hij tijdens de scheiding van zijn vrouw, jarenlang in zijn atelier woonde. Zo werden zijn kunstenaarschap en leven één geheel.
De democratisering van Minerva beschouwde hij als een verworvenheid waar niet aan mocht worden getornd. In de Sectie 10 lette hij tijdens het debat over de vorming van de hogescholen voor het HBO nauwgezet op het behoud van de eigenheden van het kunstonderwijs. Toen in 1985 door de gemeente met het oog op die vorming de academieraad van Minerva werd opgeheven, sloot Jouke zich aan bij het felle verzet van Minerva. Zijn ideeën stonden op het spel. Hij vreesde dat door de fusie de eigen wetten van het kunstonderwijs, iets waarin hij stellig in geloofde, snel verloren zouden gaan. Maar dit verzet was tevergeefs. De academie werd in 1986 samen met 15 andere hbo-opleidingen uit de stad samengevoegd tot Rijkshogeschool Groningen. Deze ging op haar beurt in 1993 op in de Hanzehogeschool Groningen. Op 1 oktober van dat jaar ging Jouke met pensioen. Als vrijwilliger bleef hij nog tot 1996 gedurende één dag in de week in het keuzerooster figuurschilderen geven.

De Groningse schilder en galeriehouder Joost Doornik die in 1989 bij Wouda afstudeerde, koos hem niet om zijn stijl van werken, want die lag bij hem heel anders, maar om zijn betrokkenheid en scherpe blik: ‘Een van de laatste keren dat ik hem zag was in de haven van Terschelling waar ik figuurlijk met een schilderij worstelde. Opeens stond hij achter me en begon te draaien en te zuchten. Hij had alleen oog voor het schilderij. Zei iets over mijn hang naar te drukke voorstellingen en was toen weer snel weg. Een paar jaar later zag en begreep ik pas dat hij helemaal gelijk had maar op dat moment vond hij waarschijnlijk dat hij niet meer in de positie was om iets over het werk te zeggen van een oud-student. Helaas, want hij zag het scherp, maar kon het soms moeilijk verwoorden, bang om in het verbale proces van beoordeling zijpaden in de kunst af te sluiten’. 

Wouda werd op 25 juni begraven op het Doopsgezindenkerkhof in IJlst. Dat moment deed mij even denken aan het feit dat in 1797 zes betrokken burgers uit de stad Groningen, allen doopsgezind, hun proclamatie uitgaven tot de oprichting van een teken-, bouw-, en zeevaartschool. Dat was het begin van Minerva. 173 Jaar later gaf Wouda zijn kleur aan het voortbestaan van de academie; opnieuw een wezenlijk moment in de geschiedenis van deze school!

Petri Leijdekkers, 25-10-2011

*Met dank aan Gerda Daemen. Joost Doornik, Monica Jonkergouw, Adrie van Hijum, Annet Hilterman en Diederik Kraaijpoel.