Binnen het RAAK-project Sportmonitor op Maat werken we samen met trainer-coaches, sporters en ontwikkelaars aan één centrale vraag: hoe richt je monitoring zo in dat het ook echt werkt in de dagelijkse sportpraktijk? In deze blogserie vertellen verschillende partners en onderzoekers over hun ervaringen tijdens het project. In deze blog vertellen Simone Beekhuizen (onderzoeker Innovatielab Thialf) en Berber van den Berg (docent-onderzoeker Hanze) wat zij zien gebeuren in de praktijk terwijl het onderzoek nog loopt. Want juist het gesprek over monitoring blijkt al iets in beweging te zetten.
Simone Beekhuizen werkt in de context van het turnen aan het monitoren van trainingsbelasting. Berber van den Berg is vanuit de praktijk betrokken bij fysieke en mentale monitoring op maat, onder andere binnen judo en schaatsen. Het zijn verschillende sporten, met een eigen dynamiek. Maar de vraag is hetzelfde: hoe zorg je dat monitoring coaches ondersteunt in plaats van extra werk oplevert?
Turnen: beginnen bij wat er wél kan
In veel turnpraktijken wordt nauwelijks structureel gemonitord merkt Beekhuizen. Niet omdat coaches het nut niet zien, maar omdat de sport complex is. De belasting verschilt per toestel en tijd is schaars. Dus om dan meteen met een ideale, grote versie van een monitoringssysteem aan te komen, heeft geen zin.
In plaats daarvan keken we samen met coaches wat haalbaar is binnen hun bestaande werkwijze. Welke informatie helpt daadwerkelijk bij het maken van keuzes? Wat kan eenvoudig worden bijgehouden zonder de training te verstoren? Door klein te beginnen, ontstond ruimte om monitoring überhaupt een plek te geven.
Wat mij daarbij opviel, is dat het onderzoek zelf al iets in gang zette. Coaches gingen bewuster nadenken over trainingsbelasting en herstel, nog voordat er een uitgewerkt systeem was. Het gesprek over monitoring werd daarmee onderdeel van hun dagelijkse werk.
Inzicht tijdens het proces: verschil tussen plan en ervaring
De trainingsintensiteit zoals die gepland is, werd niet altijd zo ervaren door de sporters. Er zat vaak een mismatch in. Een voorbeeld uit de pilot laat goed zien hoe dat werkt. Sporters gaven na trainingen aan hoe zwaar zij de training hadden ervaren. Daardoor werd zichtbaar dat geplande en ervaren belasting regelmatig van elkaar verschilden.
Dat inzicht leidde tot andere gesprekken. In een volgende fase gebruikten coaches deze informatie expliciet om met sporters te bespreken wat zij als zwaar of licht ervaarden en waarom. Monitoring werd daardoor geen controlemiddel voor coach en sporter, maar een aanleiding om het gesprek aan te gaan om belasting beter af te stemmen. En de communicatie daarover, dat was een van onze grote doelen. Dat is wat ons betreft een mooi resultaat van het onderzoek.
Judo: monitoring op maat betekent kiezen
In de praktijklijn waar Van den Berg bij betrokken is, speelt een vergelijkbare zoektocht, maar in een andere sportcontext. Binnen judo wisselen fysieke belasting en mentale druk elkaar snel af. Juist daardoor is het risico groot dat monitoring te uitgebreid of te vrijblijvend wordt.
Het onderzoek hielp om scherper te krijgen wat monitoring in deze context eigenlijk moet opleveren. Het gaat niet om zoveel mogelijk meten, maar om kiezen wat je wilt weten en wat je daar vervolgens mee doet.
Tijdens het onderzoek keken coaches en onderzoekers samen hoe fysieke en mentale signalen zich tot elkaar verhouden en hoe die informatie kan helpen bij de begeleiding van sporters. Door deze vragen expliciet te maken, ontstond meer bewustzijn over het monitoringsproces zelf. We merkten dat coaches daardoor al tijdens het onderzoek anders gingen nadenken over hun aanpak. Wat volg ik wel, wat niet, en wanneer bespreek ik dat met mijn sporter? Ook hier zit de impact niet alleen in het eindresultaat, maar in het proces.
De rol van het Sportinnovatielab
Wat beide praktijklijnen gemeen hebben, is de manier waarop het onderzoek samen met de praktijk wordt vormgegeven. Het Sportinnovatielab speelt daarin een centrale rol. Het Sportinnovatielab helpt door de samenwerking te organiseren: momenten creëren waarop coaches, sporters en onderzoekers samen keuzes maken en die keuzes ook kunnen uitproberen.
Die rol is essentieel om monitoring werkbaar te houden. Door dicht op de praktijk te blijven en regelmatig terug te koppelen, ontstaat ruimte om bij te sturen. Niet alles hoeft in één keer goed. Juist het iteratieve karakter van het onderzoek maakt het mogelijk om te leren van wat wel en niet werkt.
Impact tijdens het onderzoek
De ervaringen in turnen en judo laten zien dat de impact van het onderzoek al tijdens het traject zichtbaar is. Coaches gaan anders kijken naar hun trainingen, maken bewustere keuzes en passen hun werkwijze stap voor stap aan. En dat is misschien wel de belangrijkste opbrengst van Sportmonitor op Maat in de praktijk: niet wachten op een eindproduct, maar samen leren terwijl je werkt.
Feedback component
Hoe tevreden ben jij met de informatie op deze pagina?