Hanze biedt nieuwe master Duurzaamheids-transities aan

  • Nieuws
Studenten master Duurzaamheidstransities
Wytze van der Gaast

Vanaf september start de Hanze met de deeltijdmaster Duurzaamheidstransities. Wytze van der Gaast, lector Economische Vraagstukken binnen de Energietransitie, is betrokken bij de master en vertelt meer over de aanleiding en meerwaarde voor de praktijk.

Tekst: Jan Willem Kerssies

De master Duurzaamheidstransities is een samenwerking van twaalf hogescholen, waarbij iedere school een bepaalde specialisatie heeft. De Hanze richt zich op de thema’s energietransitie en klimaat. Het idee voor de master ontstond rond 2022, vertelt Van der Gaast. “Het begon vanuit het besef bij hogescholen dat we meer aandacht moesten besteden aan grote maatschappelijke veranderingen, zoals de energietransitie, voedseltransitie en klimaatvraagstukken. Tegelijkertijd ontstond de vraag hoe je professionals kunt opleiden die in staat zijn om brede maatschappelijke veranderingen te begeleiden, zonder hen direct te beperken tot één specifiek domein. Daarbij werd al snel duidelijk dat het niet efficiënt zou zijn als elke hogeschool afzonderlijk een opleiding transitiekunde zou ontwikkelen. Dat zou leiden tot veel versnippering in taal, theorie en aanpak. Daarom hebben de hogescholen besloten om hierin samen op te trekken.” 
 
Er is een gedeelde basis waarin iedereen dezelfde taal spreekt en dezelfde uitgangspunten hanteert als het gaat om transitiebehoeften, vaardigheden, theorieën en opgaven. Daarnaast is er ruimte voor de unieke specialisaties van individuele hogescholen. “De samenwerking is er dus niet op gericht om alles gelijk te trekken, maar juist om een gezamenlijke ondergrond te creëren waarop verschillende sterke punten kunnen worden benut. Op die manier wordt niet alleen efficiënter gewerkt, maar wordt ook optimaal gebruikgemaakt van de aanwezige expertise binnen de verschillende hogescholen”, vertelt Van der Gaast.  

Leren van en met elkaar 

De Hanze biedt de deeltijdmaster aan voor professionals die al werkzaam zijn binnen een organisatie. “Het gaat bijvoorbeeld om mensen die bij een gemeente, woningbouwvereniging of energiecorporatie werken. Ze zijn daar verantwoordelijk voor een bepaald transitievraagstuk, maar in de praktijk merken dat ze tegen complexe uitdagingen aanlopen. Het programma is zo ingericht dat studenten ongeveer 20 uur per week aan studie besteden.” In de eerste periode krijgen zij een stevig basispakket aangereikt met transitievaardigheden en relevante theorieën. “Na de eerste fase verschuift de focus naar de eigen werkpraktijk”, legt Van der Gaast uit. “Iedere deelnemer brengt een casus mee uit de eigen organisatie. Een vraagstuk waar hij of zij op dat moment mee bezig is en waarvoor een oplossing nodig is. Deze casus vormt de rode draad in het verdere verloop van de master. Met behulp van de opgedane kennis en vaardigheden gaan studenten hiermee aan de slag, samen met hun medestudenten. Omdat iedereen een eigen praktijkvraagstuk inbrengt, ontstaat er een leeromgeving waarin studenten niet alleen hun eigen casus uitdiepen, maar ook leren van de ervaringen en perspectieven van anderen.” 

Complexe problemen 

Voorbeelden van klimaatbeleid of de aanleg van een warmtenet laten goed zien hoe complex transitievraagstukken in de praktijk zijn, geeft Van der Gaast aan. “Wat op het eerste gezicht een duidelijke, technische oplossing lijkt, zoals het verminderen van CO₂-uitstoot of het aanleggen van een warmtenet, blijkt al snel veel bredere gevolgen te hebben. Maatregelen kunnen leiden tot hoge kosten voor bedrijven en burgers, verlies van werkgelegenheid, afname van draagvlak en weerstand vanuit verschillende belangen. Bij een warmtenet wordt die complexiteit concreet: bewoners willen keuzevrijheid houden, waardoor niet iedereen meedoet. Dat maakt het systeem duurder voor de groep die overblijft en kan leiden tot ongelijkheid of zelfs energiearmoede. Tegelijk zijn er wel collectieve voordelen, zoals minder druk op het elektriciteitsnet, maar die baten komen niet automatisch terecht bij de partijen die de kosten dragen.”  
 
De master helpt professionals om deze complexiteit te doorgronden. Van der Gaast: “Studenten leren om een groot, onoverzichtelijk probleem op te knippen in kleinere, behapbare onderdelen. De onderdelen analyseren ze afzonderlijk en werken ze uit in deeloplossingen. Vervolgens brengen ze die weer samen om te beoordelen hoe ze op elkaar aansluiten. Op deze manier ontwikkelen studenten een gestructureerde aanpak om complexe vraagstukken stap voor stap om te zetten in werkbare oplossingen. Deze aanpak vraagt in eerste instantie misschien meer tijd en aandacht, maar levert uiteindelijk juist winst op. Door vroegtijdig draagvlak te creëren en belangen goed mee te nemen, verloopt de besluitvorming soepeler en wordt de kans op vertraging of weerstand kleiner. Dat is de meerwaarde die deze master biedt.” 

Samen optrekken met het werkveld 

Tijdens de ontwikkeling van de master is intensief samengewerkt met verschillende partijen uit het werkveld, de zogenoemde werkveldcommissie. “Deze commissie heeft gedurende het hele proces een vaste en actieve rol gespeeld. Zij werden regelmatig om advies gevraagd, met name over de maatschappelijke relevantie van de opleiding, en zijn ook betrokken geweest bij de accreditatie. Een belangrijk punt dat vanuit deze commissie steeds naar voren kwam: ‘Hou het vooral praktisch.’ Dat sluit ook aan bij de kracht van een hogeschool: dicht op de praktijk zitten en onderwijs ontwikkelen dat direct toepasbaar is. Naast de praktische kant is ervoor gekozen om studenten eerst kennis te laten maken met relevante theorieën en vaardigheden, maar de nadruk ligt op het direct toepassen van die kennis in concrete situaties.” 

Interessegebieden

  • Aarde en Milieu
  • Onderwijs en Opvoeding