‘De doelgroep zelf vond niet dat ze een groot probleem hadden’
- Nieuws
Ze gingen ’s ochtends van huis alsof ze naar school gingen, maar brachten hun dagen op straat door. Deze jongeren stonden centraal in het onderzoek van docent-onderzoeker Inge Noback en haar collega’s.
Inge, docent in de deeltijd en kwaliteitszorgcoördinator bij Toegepaste Psychologie en één dag in de week onderzoeker. Woont tegenwoordig op een steenworp afstand van de Hanze, maar daarvoor in Oudeschip, op het Hoogeland, iets ten zuiden van de Eemshaven, gemeente Eemsdelta. En juist over deze regio, die Inge goed kent, gaat dit verhaal. Een regio die, net als veel krimpregio’s, te maken heeft met sociale uitdagingen zoals armoede, schooluitval en jeugdproblematiek.
Samen met lector Annelies Kassenberg en onderzoekers Inge Ekenhorst en Mattanja de Jong onderzocht Inge het Preventie Interventie Team (PIT) in Eemsdelta. Dit programma richt zich op jongeren van ongeveer 14 tot 19 jaar die overlast veroorzaken op straat en op school en dreigen vast te lopen. Denk aan rondhangen op straat, scootercrossen, drugsgebruik, dealen en voortdurend grenzen opzoeken.
‘Deze jongeren zeggen ’s ochtends tegen hun ouders dat ze naar school gaan, hangen vervolgens de hele dag op straat en komen ’s avonds laat weer thuis’, vertelt Inge. ‘Groepsdruk speelt daarbij een grote rol. Politie en justitie zijn vaak nog niet echt in beeld, maar de kans is groot dat die stap volgt als er niet wordt ingegrepen.’ Om die reden werd in 2022 het PIT-team opgericht.
Drie jaar lang volgden de onderzoekers het PIT-team. Wat werkt, wat werkt minder goed en welke resultaten levert de aanpak op?
PIT bestaat uit drie onderdelen:
Het contact met de doelgroep blijkt niet vanzelfsprekend. Veel jongeren zien zelf niet hoe groot hun problemen zijn, zijn moeilijk bereikbaar en hebben nooit geleerd om over hun gevoelens en zorgen te praten.
Inge vertelt over een jongerenwerker die zijn PlayStation meenam naar de campus. ‘Dat trok de jeugd aan. Tijdens het gamen ontstonden gesprekken, groeide het vertrouwen en werd de band sterker. Ook stewards en conciërges zagen dat gebeuren. Dat is prachtig.’
Ook kleine momenten kunnen een groot verschil maken. Zo ging een jongerenwerker voetballen met een jongen die een erg laag zelfbeeld had. Als iets fout ging was de jongen heel negatief, maar als het goed ging besteedde hij daar geen aandacht aan. Tijdens het spel gaf de jongerenwerker complimenten: wat een goede pass, wat een mooi schot. Langzaam groeide het zelfvertrouwen van de jongere en zag de jongerenwerker positieve veranderingen in zijn gedrag ontstaan.
Toekomstige jongeren- en kinderwerkers moeten leren samenwerken. Daar moeten we in ons onderwijs meer aandacht aan besteden.
Uit de evaluatie van de Hanze blijkt dat PIT een laagdrempelige en aanpak op maat biedt voor jongeren met meervoudige problematiek. De kracht zit vooral in de vroege inzet, het maatwerk en de sterke vertrouwensrelatie tussen jongeren en coaches. Ook de samenwerking met ouders, scholen en andere partners blijkt essentieel.
De combinatie van preventieve en curatieve ondersteuning, waaronder de verbinding met het programma 2BE Young, helpt jongeren aantoonbaar stappen te zetten richting onderwijs, werk en een stabieler dagelijks leven.
De onderzoekers adviseren onder meer om verder te investeren in de professionalisering en begeleiding van coaches, een betere monitoring van resultaten en een grotere betrokkenheid van jongeren bij het aanbod. Daarnaast pleiten zij voor een passende ontmoetingsplek voor jongeren, een grotere zichtbaarheid van PIT en een verdere verdieping van de samenwerking met ouders, scholen en ketenpartners.
Nu het PIT-project is afgerond, werkt Inge alweer aan een nieuw onderzoek: Uit de kinderschoenen. Waar de focus bij PIT lag op jongerenwerkers, richt dit project zich op kinderwerkers en het versterken van hun professionele rol en identiteit. ‘De ervaringen en kennis die we hebben opgedaan in het PIT-project nemen we zeker mee’, zegt Inge.
Voor Inge onderstreept het PIT-project vooral één belangrijke les: jongeren ondersteunen is altijd een gezamenlijke opgave. ‘Toekomstige jongeren- en kinderwerkers moeten leren samenwerken met scholen, ouders, gemeenten en zorgorganisaties. Dat is essentieel, maar nog lang niet vanzelfsprekend. Juist daarom zouden we daar in ons onderwijs steeds meer aandacht aan moeten besteden.’
Docentonderzoeker Lectoraat Jeugd, Educatie & Samenleving
Zernikeplein 23, 9747 AS Groningen
Hoe tevreden ben jij met de informatie op deze pagina?